Beloken Pasen

Jezus zei tegen de leerlingen, bijeen achter gesloten deuren: ‘Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.’

Bekijk de viering van Beloken Pasen op onze website: viering

EERSTE LEZING: handelingen van de apostelen 2, 42-47

De eerste christenen legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en het gebed. Ontzag beving eenieder, want door de apostelen werden vele wonderbare tekenen verricht. Allen die het geloof hadden aangenomen, waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk. Ze waren gewoon hun bezittingen en goederen te verkopen en die onder allen te verdelen naar ieders behoefte. Dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart, loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst. En elke dag bracht de Heer er meer bijeen, die gered zouden worden.

TWEEDE LEZING: eerste brief van Petrus 1, 3-9

Dierbaren,

Gezegend is God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons in zijn grote barmhartigheid deed herboren worden tot een leven van hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de dood. Een onvergankelijke, onbederfelijke, onaantastbare erfenis is voor u weggelegd in de hemel. In Gods kracht geborgen door het geloof, wacht gij op het heil, dat gereed ligt om op het eind van de tijd geopenbaard te worden.

Dan zult gij juichen, ook al hebt gij nu, als het zo moet zijn, voor een korte tijd te lijden onder allerlei beproevingen. Maar die zijn nodig om de deugdelijkheid van uw geloof te bewijzen, uw geloof, dat zoveel kostbaarder is dan vergankelijk goud, dat toch ook door vuur gelouterd wordt. Dan zal, wanneer Jezus Christus zich openbaart, lof, heerlijkheid en eer uw deel zijn. Hem hebt gij lief zonder Hem ooit gezien te hebben. In Hem gelooft gij, ofschoon gij Hem ook nu niet ziet. Hoe onuitsprekelijk, hoe hemels zal uw vreugde zijn, als gij het einddoel van uw geloof, uw redding, bereikt.

EVANGELIE: Johannes 20, 19-31

Op de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats der leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: „Vrede zij u.” Na dit gezegd te hebben, toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen. Nogmaals zei Jezus tot hen: „Vrede zij u. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” Na deze woorden blies Hij over hen en zei: „Ontvangt de heilige Geest. Als gij iemands zonden vergeeft, dan zijn ze vergeven, als gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.”

Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was echter niet bij hen toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: „Wij hebben de Heer gezien.” Maar hij antwoordde: „Zolang ik in zijn handen niet het teken van de nagelen zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken, en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik zeker niet geloven.”

Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas er bij. Hoewel de deuren gesloten waren kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: „Vrede zij u.” Vervolgens zei Hij tot Tomas: „Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde en wees niet langer ongelovig maar gelovig.” Toen riep Tomas uit: „Mijn Heer en mijn God!” Toen zei Jezus tot hem: „Omdat ge Mij gezien hebt gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.”

In het bijzijn van zijn leerlingen heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt in zijn Naam.

De overweging van Valerie Kabergs uit Kerk&Leven

Erbij zijn

In de afgelopen weken hebben we wellicht meer dan ooit ondervonden hoe belangrijk het is om bij elkaar te kunnen en mogen zijn. Hetzij door gemis van al die familieleden en vrienden bij wie we niet dichtbij mogen komen. Hetzij door opnieuw te herwaarderen hoe levengevend het is om dicht bij elkaar aan te leunen in het eigen gezin. Bij uitstek wanneer het leven het meeste pijn en het meeste vreugde geeft. En dan lees ik in het evangelie op deze tweede paaszondag over Tomas die er niet bij is op een cruciaal moment na Jezus’ dood.

We komen niet te weten waarom Tomas niet bij zijn medeleerlingen is. Is het louter toeval? Alleszins zit er meer achter wanneer de evangelist het verhaal vertelt op die manier. De geloofsleerlingen tot wie Johannes zijn woorden richt, bevonden zich immers niet – net als wij – te midden van die eerste leerlingen van Jezus. Tomas staat dus enigszins symbool voor ieder van ons, de leerling van Jezus die er niet bij was toen Jezus na zijn dood verscheen aan zijn apostelen. Misschien zit er ook een positieve kant aan Tomas’ afwezigheid. De leerlingen die verzameld zijn in het huis stellen het immers niet zo goed. Ze verkeren als het ware in ‘beloken’, dat is ‘afgesloten’, toestand. Hun deur is op slot. Ze zijn bang voor wat de joden hen, volgers van de zopas gekruisigde Jezus, zouden kunnen aandoen. Tomas is blijkbaar elders en wandelt onbevreesd binnen en buiten. Hoe het precies is gesteld met zijn geloof in de verrezen Heer, weten we niet. De woorden die Jezus in dit zondagsevangelie tot Tomas spreekt, suggereren dat hij niet geloofde alvorens Jezus te hebben gezien, maar misschien is dat ook niet het hele verhaal. Elders in het Johannesevangelie blijkt immers hoezeer Tomas bereid is om bij Jezus te zijn en te blijven. Volgens het Lazarusverhaal is het net Tomas die zijn medeleerlingen aanmoedigt om met Jezus mee naar Judea terug te keren en zo „samen met Hem te sterven” (Johannes 11, 16). Bij een eerder verblijf in Judea hadden de joden immers geprobeerd Jezus te stenigen, aldus het evangelie. Tomas deelt dus niet in de angst voor de joden die de in het huis verzamelde leerlingen uit het zondagsevangelie kenmerkt. Niettemin heeft ook hij het nodig om Jezus opnieuw te ontmoeten om te kunnen geloven dat dezelfde Jezus die voor hen is gestorven, ook hier en nu bij hen aanwezig is.

Tomas wil erbij zijn. Niet bij de angst van zijn medeleerlingen, wel daar waar Jezus verschijnt. De paradox die Tomas – en wij allen in navolging van hem – misschien moet leren, is dat Jezus net daar aanwezig komt waar er angst heerst. Net daar wil Jezus erbij zijn. Dicht bij ons, om ons te betrekken in de liefdesrelatie die Hij deelt met de Vader, luidt het in zondagsevangelie. De Eerste Brief van Petrus, waaruit de tweede lezing is genomen, heeft veel aandacht voor Jezus’ aanwezigheid te midden van beproevingen. De toegesproken christelijke gemeenschappen leven in aanloop naar de vervolgingen door keizer Domitianus (81-96) als maatschappelijke en religieuze minderheid in verdrukking. Ze zijn het voorwerp van verdachtmakingen en laster en wekken ergernis door hun christelijke levenswijze. Met zijn oproep om dat lijden te leren ervaren als een delen in het lijden van Christus, wil de auteur de christenen bemoedigen. Ook al zien ze de verheerlijkte Christus nog niet, toch mogen ze bij uitstek in al hun ellende geloven in zijn aanwezigheid, zo stelt de brief.

In de eerste lezing klinkt een veel zorgelozer beeld van christelijke gemeenschap. Wellicht moeten we het veeleer lezen als een visioen waarnaar elke christelijke gemeenschap mag streven, dan als een beschrijving van een vervlogen werkelijkheid. Kern van de zorgeloosheid die wordt opgewekt in het fragment is dat alle gelovigen ten volle bij elkaar willen zijn: ze zijn eensgezind en bezitten alles gemeenschappelijk. Dat één van hart zijn, straalt ook uit buiten de gemeenschap, want ze staan in de gunst bij het hele volk. Gevolg daarvan is dat de Heer er steeds meer ‘bijeen’ kan brengen. In deze tijden wil ik dat visioen uit de Handelingen koesteren, maar intussen ook meer dan ooit beseffen dat Jezus hier en nu ‘erbij’ is. Ook al verkeer ook ik vandaag in ‘beloken’ toestand, het zondagsevangelie is voor mij een appel om samen met anderen zo veel als mogelijk bij Hem te zijn.

Overweging van kapelaan Filip (Sint-Trudo) bij de lezingen

Christus volgen

‘De eerste christenen legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen, bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven en ijverig in het breken van het brood en het gebed. Allen die het geloof hadden aangenomen waren eensgezind en bezaten alles gemeenschappelijk. En dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind de tempel.’ Aldus Lucas in de eerste lezing, en dat is een fragment uit De Handelingen van de apostelen.

Een spiegel

Het plaatje dat Lucas hier ophangt, oogt bijzonder mooi. Hij beklemtoont de eenheid van geloof en liturgie, en van handelen en denken. Kortom, een ideale gemeenschap, waarbij onze gemeenschap verbleekt. Want wij gaan niet elke dag naar de kerk, wij delen niet alles in gemeenschap, en we zijn bijlange niet altijd eensgezind.

Lucas schetst een ideaalbeeld van hoe het er soms, maar zeker niet altijd aan toeging. Uit de Handelingen blijkt immers ook dat er soms diepgaande spanningen waren tussen joodse en niet-joodse, en tussen arme en rijke christenen, en verder blijkt ook dat Petrus en Paulus op bepaalde ogenblikken net niet vechtend over de straatstenen rolden. Niets nieuws onder de christelijke zon dus. Maar wat de eerste christenen wel onvoorwaardelijk bond, was de vaste wil om Christus te volgen, Hem te vieren en God om Hem te danken. Wellicht bedoelde Lucas het als een soort spiegel, een graadmeter waarop we bij manier van spreken kunnen aanturven waar we staan als christen.

Vrede!

En dat is iets wat we echt wel moeten doen: ons afvragen waar we als christen staan, want christen, dat ben je niet, dat moet je elke dag opnieuw worden. Lucas wijst ons daartoe een weg aan, en dat doet Jezus nog veel diepgaander in het evangelie. Zijn eerste woorden zijn woorden van vrede. Tot tweemaal toe herhaalt Hij ze. En zijn apostelen zijn vervuld van vreugde omwille van Hem. Dan blaast Hij zijn Geest over hen uit, net zoals God bij de schepping Adam en Eva de levensadem inblies. Jezus geeft dus nieuw leven; zijn Geest moet ons in staat stellen te vergeven. En een week later zegt hij tot Thomas: ‘Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven.’

Zijn kruis opnemen…

Als we het samenvatten, komen we tot vier kernbegrippen: vrede, vreugde, geloof, vergeven. Het zijn meteen vier pijlers van ons christen zijn. Maar het blijft daar niet bij, want Jezus kon alleen maar verrijzen omdat Hij tot in de dood trouw was gebleven aan zijn boodschap van liefde. Zo komen we dus tot liefde, trouw, vrede, vreugde, geloof en vergeven. Zes pijlers. En de zevende pijler, die mogen we zeker niet vergeten, hoe graag we dat ook zouden doen. Wat doet Jezus immers nadat Hij zijn leerlingen vrede heeft gewenst? Hij toont hun zijn handen en zijn zijde, met de zichtbare tekens van zijn kruisdood. De boodschap is duidelijk. ‘Vrienden-apostelen,’ zegt Hij daarmee, ‘zonder lijden gaat het niet. In Getsemane hebben jullie dat geprobeerd, jullie zijn toen op de vlucht geslagen voor het lijden, maar dat heeft niet geholpen.’

Als er iets is wat we weten, dan is het wel dit: dat we het lijden, de pijn, het verdriet niet kunnen ontlopen. We kunnen proberen ze onder de mat te vegen, ze te negeren, ze om te kopen met geld en goed, ze te lijf te gaan met woede en wrok… het helpt allemaal niet. Wat we ook doen, pijn en verdriet zijn ons altijd te vlug af. Ervoor weglopen heeft geen zin, niet als mens, niet als Kerk.

Vreugde!

Weet je wat ik ons allen toewens? Dat wij en onze Kerk in elke pijn en elk lijden iets van de vreugde van de apostelen zouden ervaren wanneer de verrezen Heer in hun midden staat. Hij is het bewijs dat die pijn en dat lijden niet het laatste woord hebben, en dat Gods liefde veel groter is dan de dood. Mocht die vreugde de onze worden, dan zouden geloof en trouw, en liefde, vrede en vergeving vanzelfsprekend worden. En wat ik ons ook toewens, is dat we even kritisch zouden zijn als Thomas, zodat we niet zomaar alles zouden slikken wat men ons wil laten geloven. Dat we alleen Jezus zouden geloven, zodat we samen met de diepgelovige Thomas zouden kunnen zeggen: ‘Mijn Heer en mijn God.’

Die paasvreugde en dat paasgeloof wens ik ons allen toe.

Kapelaan Filip

Met dank aan de Pastorale Eenheid Sint-Trudo voor het aanleveren van de teksten.

 

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.