Elfde zondag door het jaar – homilie

De tijd van God zal komen…

Het thema van deze zondag komt duidelijk aan bod in de eerste lezing uit het boek van de profeet Ezechiël:
“Zo spreekt Jahwe de Heer: (…) Dan zullen alle bomen in het veld erkennen dat Ik, Jahwe, een hoge boom vernederd en een lage boom verheven heb, en dat Ik een sappige boom heb doen verdorren en een dorre boom tot bloei gebracht heb; Ik, Jahwe, heb het gezegd en Ik zal het doen”. 

Hier denken wij direct aan de woorden van Maria in haar ‘Magnificat’: “Machtigen haalt Hij omlaag van hun troon, eenvoudigen brengt Hij tot aanzien; behoeftigen schenkt Hij overvloed, maar rijken zendt Hij heen met ledige handen”.

Met deze gedachten als achtergrond kunnen we de woorden van Jezus in het evangelie van deze zondag beter begrijpen: “En verder: Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait;  hij slaapt en staat op, ‘s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe.  Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de groene halm, dan de aar, dan het volgroeide graan in de aar”.

De aarde, dus, (en met de ‘aarde’ worden wij, de christenen, bedoeld, zoals het jaarthema van ons bisdom uitdrukt: ‘Gods akker zijt gij’) brengt  goede vruchten voort niet door de ‘kracht’ of de ‘wijsheid’ van de man die zaait, maar ‘uit eigen kracht’.
En alleen ‘uit eigen kracht’ wordt een mosterdzaadje, het allerkleinste zaadje op aarde, ‘groter dan alle tuingewassen, en het krijgt grote takken…”.  

Dat zijn de voorwaarden waarzonder geen nieuwe evangelisatie mogelijk is: het besef, namelijk, dat God de hoge bomen vernedert, en het besef dat de aarde uit eigen kracht vruchten voortbrengt. Ze zijn noodzakelijk opdat onze Kerk (die wij met een ‘dorre boom’ kunnen vergelijken) door God tot bloei kan gebracht worden. Door die voorwaarden te voldoen wordt het ‘mosterdzaadje’ dat de Kerk moet zaaien, ‘groter dan alle tuingewassen’, zodat de zovele ‘vogels’ die op zoek zijn naar een plaats waar het echte leven te vinden is, in haar ‘schaduw kunnen nestelen’.

In de lezingen van deze zondag komen, dus, geen ‘pastorale plannen’ ter sprake. Het gaat helemaal niet om onze ‘kracht’ of om onze ‘wijsheid’.
Het gaat liever om het besef van onze kleinheid, van onze onmacht en van onze armoede, waarheden die wij moeten aanvaarden en zelfs beminnen.

Het gaat om iets dat wij de trouw aan de Heer en aan zijn boodschap in alle situaties kunnen noemen, een koste wat kost beleefde trouw. Het gaat om iets kleins maar uiterst krachtig dat schrijvers en filosofen ‘de kleine goedheid’ hebben genoemd.
Het gaat om iets dat de heilige Theresia van Lisieux ‘de kleine weg’ noemde.
Het gaat misschien ook om wat wij ‘het geduld van de boer’ kunnen noemen en dat ons grote hoop kan geven: de vruchten zullen zeker komen. Want (om de woorden van Bonhoeffer te gebruiken): “De dag komt dat het onmogelijk is om openlijk te spreken, maar we zullen bidden, we zullen doen wat juist is: de tijd van God zal komen.”

Priester Renato Buccolini, Wellen