Zeventiende zondag door het jaar – Homilie

Zusters en broeders,

Zowel in de eerste lezing als in het evangelie gaat het over een broodvermenigvuldiging. In de eerste lezing geeft de profeet Elisa honderd mannen te eten met twintig gerstbroden en een beetje graan, in het evangelie slaagt Jezus er met vijf gerstbroden en twee vissen in ongeveer vijfduizend mannen eten te geven. Wat het gebeuren nog sterker maakt is dat er in beide gevallen overschot is. Wellicht vragen we ons af wat de symboliek is achter die beide verhalen.

Nemen we het evangelie. Jezus wordt door een grote menigte gevolgd. Zo’n vijfduizend mannen, die zich aangetrokken voelen door iemand die doven kan doen horen, duivels kan uitdrijven, melaatsen kan reinigen, zieken kan genezen. Een man ook die God de Vader van alle mensen noemt, en die Hem ziet als een God van liefde en vrede. Een man die ook zelf liefde is voor alle mensen. ‘Hoe gaan we die mensen te eten geven?’, vraagt hij aan Filippus, en die weet dat zelfs tweehonderd denariën niet genoeg is om voor al die mensen brood te kopen. Nochtans is tweehonderd denariën niet niets: het is ongeveer wat een arbeider per jaar verdient. En dan zijn er die vijf gerstbroden en twee vissen die het vertrekpunt vormen van de broodvermenigvuldiging.

Wel, bij dat verhaal kunnen we alleen denken aan het Rijk van God. Jezus stelt het voor als een mosterdzaadje dat een ruime en brede struik wordt waarin vogels kunnen nestelen. Of als een beetje zout dat grote voedselvoorraden kan kruiden. Of als een beetje gist dat deeg doet rijzen. Of nog als graan dat, als het goed gezaaid is, een oogst kan voortbrengen die zestig- tot honderdvoudig veel voortbrengt. Het gaat dus om iets kleins of iets weinigs dat tot groot en tot veel kan leiden. Zo is het Rijk van God, en het begint wanneer mensen er iets voor doen. Want het is een Rijk van liefde, van vrede, van gerechtigheid, van goedhartigheid. Het is een Rijk dat de wereld leefbaar maakt, omdat het zich spiegelt aan zijn Schepper. Zoals die jongen met zijn vijf gerstbroden en zijn twee vissen. Zijn naam wordt niet vermeld, en we weten niet eens waarom hij dat eten bij zich heeft. Maar we weten wél dat hij geen vragen stelt, en dat hij niet protesteert als Andreas zich op zijn broden en zijn vissen beroept. Hij wil immers alleen maar helpen.

En wat doet Jezus? Hij laat de mensen gaan zitten, spreekt een dankgebed uit, laat de broden en de vissen uitdelen, en nadien het overschot ophalen. Dat is wat wij kunnen leren wanneer we samen zijn in Jezus’ naam. In een viering moeten we dus niet lawaaierig zijn, en niet ongedurig wachten op het einde. ‘Ga rustig zitten’, zegt Jezus, ‘en luister naar het woord van de Heer. Geniet van het samen zijn, van het samen bidden en samen vieren. En vergeet niet te breken en te delen. Uw bezit en uw rijkdom durven breken, al is het maar een beetje, om te kunnen delen met anderen. Want het Rijk van God, dat is een Rijk van zorg voor iedereen, zeker voor amen en kleinen, voor zieken en gehandicapten, voor vluchtelingen en mensen in nood. Het Rijk van God is ook zoals die koopman die op zoek is naar een onschatbare parel, en als hij die gevonden heeft, heeft hij er alles voor over om hem te kunnen kopen. Zo is het Rijk van God: het is zo prachtig dat je er alles voor over hebt.

Zusters en broeders, die wonderbare broodvermenigvuldiging houdt ons bijzonder diepgaande dingen voor. Dat we tijd zouden nemen om te luisteren naar het woord van God, en dat we er ook zouden naar leven. Dat we zouden breken en delen, en ons teveel niet zouden weggooien of opstapelen, maar zouden verzamelen om te delen. Dat we nooit zouden vergeten om te bidden tot de Heer onze God, om Hem te danken voor ons leven en voor alles wat we hebben en zijn. En dat we met breken en delen zouden meebouwen  aan de vermenigvuldiging van zijn Rijk van liefde en vrede. Moge dat onze vermenigvuldiging zijn. Amen. 

Bron : preken.be