Category Archives: Gebeden

Achttiende zondag door het jaar – Homilie

Zusters en broeders,

In wezen gaan de eerste lezing en het evangelie over hetzelfde,  namelijk over ontevredenheid over wat men gekregen heeft. In de eerste lezing morren de Israëlieten omdat ze onvoldoende voedsel hebben. Nog liever waren ze als slaven in Egypte gebleven dan dat ze nu van honger zouden omkomen in de woestijn. Want ook al waren ze slaven, ze kregen voedsel in overvloed. Ze zijn dus ontevreden omdat ze uit de slavernij bevrijd zijn en via de splitsing van de Rode Zee zelfs aan het leger van de farao zijn ontsnapt.

In het evangelie zien we dat de vijfduizend mannen aan wie Jezus in de woestijn met vijf broden en twee vissen voedsel in overvloed heeft bezorgd Hem nu achtervolgen, omdat ze Hem tot hun koning willen uitroepen. Hij kan dan altijd voor het nodige voedsel zorgen zonder dat zij nog iets moeten doen. Jezus voelt aan waar ze op uit zijn, en houdt hun voor dat ze in Hem moeten geloven, want Hij is de Mensenzoon die door God is gezonden, en Hij zal hun geen manna geven dat maar één dag meegaat, maar voedsel dat tot eeuwig leven leidt. Hun reactie maakt hun ongeloof duidelijk: ‘Wat voor teken doet Gij dan wel waardoor we kunnen zien dat wij in U moeten geloven?’ Het is bijna niet te geloven: zo-even hebben ze een ongelofelijk teken meegemaakt, en nu vragen ze Hem naar een teken waardoor ze in Hem zouden geloven. Jezus maakt het hun wellicht nog moeilijker wanneer Hij zegt: ‘Ik ben het brood dat leven geeft. Wie bij Mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.’ Zoals we de volgende weken zullen zien, wordt de reactie van de mannen er alleen maar scherper en negatiever door.

De Israëlieten die uit de slavernij bevrijd worden en ontevreden zijn omdat ze daardoor niet meer kunnen genieten van de vleespotten en het brood dat ze als slaven te eten kregen, en vijfduizend mannen die de broodvermenigvuldiging hebben meegemaakt, en die nu van Jezus een teken eisen dat hen zou overtuigen in Hem te geloven: het klinkt bijna ongeloofwaardig, maar als we er wat dieper op ingaan, klinkt het helemaal anders. De hongerige Israëlieten trekken immers al maanden door de woestijn en ook die vijfduizend mannen waren zonder uitzicht op voedsel in de woestijn beland. En de woestijn is niet direct een prettige plaats om er te verblijven. De ontevredenheid van de Israëlieten en de vijfduizend mannen is dus te begrijpen, en ook heel herkenbaar voor ons, want ook wij zijn vaak niet tevreden over ons leven, ook al lijkt er zoveel te zijn dat ons juist wél tevreden zou moeten maken. Een goede gezondheid, genoeg geld om normaal te kunnen leven, veel mogelijkheden om ons te ontspannen, een lieve familie en nog zoveel meer. Maar soms zijn al die positieve dingen meer schijn dan werkelijkheid, sukkelen we met onze gezondheid, verdienen we maar net genoeg of zelfs te weinig om normaal te kunnen leven, zijn er spanningen in de familie en nog zoveel andere dingen die ons beklemmen. Zoals de coronapandemie die ons al maanden teistert, ons confronteert met vreselijk veel beperkingen, ons sociaal leven heeft ondergraven, en misschien ook ons gezin of onze familie op een heel pijnlijke wijze heeft getroffen. En het blijft niet bij die pandemie. Immers, een vreselijke vloedgolf heeft vooral Wallonië zwaar getroffen, heeft er dorpen en steden verwoest en duizenden mensen soms van familieleden en heel vaak van al hun bezittingen beroofd. Wat overblijft is meer dan anderhalf miljoen ton afval.

Zusters en broeders, het is niet gemakkelijk om altijd gelukkig en tevreden te zijn en altijd te geloven in de algoede God die ons nooit in de steek laat. Heel dikwijls voelen mensen zich precies wél in de steek gelaten, want het manna dat uit de hemel valt kan de honger vaak niet stillen. En toch kan alleen de hoop dat God ons steunt ons sterken, want alleen brengt de mens er weinig van terecht. Niet voor niets  heeft Jezus ons leren bidden: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, en daarmee bedoelt Hij meer dan ons dagelijks voedsel. In  het evangelie horen we immers dat Hijzelf het brood is dat leven geeft. Een leven van geloof, van hoop, van liefde, van vrede. Laten we dus bidden dat Jezus echt in ons leven zou komen, zodat we echt van zijn woorden en daden zouden leven. Want zijn aanwezigheid in ons geeft ons een leven in overvloed, een leven vol inzet voor elkaar, vol liefde, vol vrede en tevredenheid. Amen

Bron : preken.be

Zeventiende zondag door het jaar – Homilie

Zusters en broeders,

Zowel in de eerste lezing als in het evangelie gaat het over een broodvermenigvuldiging. In de eerste lezing geeft de profeet Elisa honderd mannen te eten met twintig gerstbroden en een beetje graan, in het evangelie slaagt Jezus er met vijf gerstbroden en twee vissen in ongeveer vijfduizend mannen eten te geven. Wat het gebeuren nog sterker maakt is dat er in beide gevallen overschot is. Wellicht vragen we ons af wat de symboliek is achter die beide verhalen.

Nemen we het evangelie. Jezus wordt door een grote menigte gevolgd. Zo’n vijfduizend mannen, die zich aangetrokken voelen door iemand die doven kan doen horen, duivels kan uitdrijven, melaatsen kan reinigen, zieken kan genezen. Een man ook die God de Vader van alle mensen noemt, en die Hem ziet als een God van liefde en vrede. Een man die ook zelf liefde is voor alle mensen. ‘Hoe gaan we die mensen te eten geven?’, vraagt hij aan Filippus, en die weet dat zelfs tweehonderd denariën niet genoeg is om voor al die mensen brood te kopen. Nochtans is tweehonderd denariën niet niets: het is ongeveer wat een arbeider per jaar verdient. En dan zijn er die vijf gerstbroden en twee vissen die het vertrekpunt vormen van de broodvermenigvuldiging.

Wel, bij dat verhaal kunnen we alleen denken aan het Rijk van God. Jezus stelt het voor als een mosterdzaadje dat een ruime en brede struik wordt waarin vogels kunnen nestelen. Of als een beetje zout dat grote voedselvoorraden kan kruiden. Of als een beetje gist dat deeg doet rijzen. Of nog als graan dat, als het goed gezaaid is, een oogst kan voortbrengen die zestig- tot honderdvoudig veel voortbrengt. Het gaat dus om iets kleins of iets weinigs dat tot groot en tot veel kan leiden. Zo is het Rijk van God, en het begint wanneer mensen er iets voor doen. Want het is een Rijk van liefde, van vrede, van gerechtigheid, van goedhartigheid. Het is een Rijk dat de wereld leefbaar maakt, omdat het zich spiegelt aan zijn Schepper. Zoals die jongen met zijn vijf gerstbroden en zijn twee vissen. Zijn naam wordt niet vermeld, en we weten niet eens waarom hij dat eten bij zich heeft. Maar we weten wél dat hij geen vragen stelt, en dat hij niet protesteert als Andreas zich op zijn broden en zijn vissen beroept. Hij wil immers alleen maar helpen.

En wat doet Jezus? Hij laat de mensen gaan zitten, spreekt een dankgebed uit, laat de broden en de vissen uitdelen, en nadien het overschot ophalen. Dat is wat wij kunnen leren wanneer we samen zijn in Jezus’ naam. In een viering moeten we dus niet lawaaierig zijn, en niet ongedurig wachten op het einde. ‘Ga rustig zitten’, zegt Jezus, ‘en luister naar het woord van de Heer. Geniet van het samen zijn, van het samen bidden en samen vieren. En vergeet niet te breken en te delen. Uw bezit en uw rijkdom durven breken, al is het maar een beetje, om te kunnen delen met anderen. Want het Rijk van God, dat is een Rijk van zorg voor iedereen, zeker voor amen en kleinen, voor zieken en gehandicapten, voor vluchtelingen en mensen in nood. Het Rijk van God is ook zoals die koopman die op zoek is naar een onschatbare parel, en als hij die gevonden heeft, heeft hij er alles voor over om hem te kunnen kopen. Zo is het Rijk van God: het is zo prachtig dat je er alles voor over hebt.

Zusters en broeders, die wonderbare broodvermenigvuldiging houdt ons bijzonder diepgaande dingen voor. Dat we tijd zouden nemen om te luisteren naar het woord van God, en dat we er ook zouden naar leven. Dat we zouden breken en delen, en ons teveel niet zouden weggooien of opstapelen, maar zouden verzamelen om te delen. Dat we nooit zouden vergeten om te bidden tot de Heer onze God, om Hem te danken voor ons leven en voor alles wat we hebben en zijn. En dat we met breken en delen zouden meebouwen  aan de vermenigvuldiging van zijn Rijk van liefde en vrede. Moge dat onze vermenigvuldiging zijn. Amen. 

Bron : preken.be

Dertiende zondag door het jaar – homilie

Beste broeders en zusters

Deze zondag mogen we een bijzonder verhaal horen waarbij Jezus twee wonderen verricht. Voor een aantal mensen zijn de wonderverhalen een rede om aan het geloof te twijfelen. Maar als we elk verhaal goed beluisteren zullen we opmerken dat Jezus het wonder nooit alleen doet. Ook de vragende partij neemt deel aan het wonder, want zonder geloof staat ook Jezus machteloos.

Het verhaal begint met een radeloze vader die naar Jezus toekomt om zijn dochtertje te redden. En terwijl Jezus op weg gaat voelt Hij plots een hand die hem aanraakt uit de menigte die met Hem meewandelt. De leerlingen moeten er een beetje om lachen want er zijn wel honderd handen die Jezus aanraken. Maar terwijl de leerlingen twijfelen geneest Hij de vrouw met een sterk geloof, want zij had enkel over Jezus horen praten.

Bij zijn aankomst aan het huis van Jaïrus hoort hij de mensen fluisteren dat het dochtertje al overleden is en dat zijn hulp dus niet meer nodig is. Wanneer Jezus vertelt dat ze niet dood is maar slechts slaapt klinkt er opnieuw gelach.

Dit is niet de eerste keer dat er gelachen wordt wanneer God iets doet.
In het Oude Testament vinden we Abraham en Sarah terug die lachten toen God hun evenveel nakomelingen beloofden als wat er korrels zand waren in de woestijn. Ze lachten telkens weer omdat de belofte van God niet haalbaar is in de ogen van de mens.

De mensen nemen Jezus niet serieus. Waarom zouden ze, ze weten immers alles over de dood die komt voor jong en oud. Het jonge meisje is dood. Wat kan Jezus nu doen tegen de dood? En God liet hun zien dat ze verkeerd waren.

Zowel de vrouw als de vader namen Jezus belofte serieus. Beiden gingen ze ervan uit dat Jezus hun leven kon veranderen en ze knielden voor Hem neer.
In dit Evangelie laat Jezus ook zien dat de Goddelijke kracht leven kan geven, overvloedig leven voor iedereen.
Het Evangelie laat Jezus zien als een mens die aan geen enkele menselijke nood voorbij gaat. Hij genas mensen, dankzij hun geloof, van allerlei ziektes, schuldgevoel, armoede, zondigheid, verdriet en egoïsme.

Ook voor ons is deze taak weggelegd om mensen op weg te helpen, om hun noden ernstig te nemen en ze te helpen. Dit kunnen we niet alleen, maar wel met Zijn hulp.
Laten we net als Jaïrus naar Hem toestappen en Hem vragen om hulp.
Als we er daadwerkelijk in geloven, als we ons hart openstellen voor Hem dan zullen we zien dat Hij zijn beloftes altijd waarmaakt.

Serge Casier, toekomstig diaken PE Borgloon

Twaalfde zondag door het jaar – homilie

12de zondag door het jaar.

In onze slaapkamer hangt er recht voor ons een heel oud kruisbeeld met een Christusfiguur.
Enkele avonden geleden kwam bij het zicht van de gekruisigde Jezus een gedachte bij mij op. Nu, bij het lezen van de eerste lezing, leek het alsof Job met hetzelfde probleem worstelde.
“Hoe lang nog, Heer, moet die pandemie nog duren?
Wanneer doe Jij er eens iets aan?”, zo ging het door mijn hoofd.

Het boek Job in het oude testament laat ons kennismaken met een man die eerst alles had, gezin, landerijen, geld enz. Hij is God daarvoor dankbaar.
Toch stelt God hem op de proef en verliest Job alles wat hem dierbaar is.
Hij vervalt in ellende en armoede en met zijn gezondheid gaat het zienderogen achteruit.

Doorheen het boek leren we Job kennen als een Godvrezende man die door zijn wedervaren
in opstand komt. “Waarom Heer?”
In de eerste lezing van deze zondag geeft God weerwerk op Job’s vragen en klagen.
 “Waar was jij toen Ik de schepping voltooide met alles wat er mee te maken heeft?”.
God slaat hem gedurende een paar hoofdstukken rond de oren met tal van verwezenlijkingen die als mens onmogelijk zijn uit te voeren.
Gaandeweg zal Job zich aan God overgeven.
Zijn geloof in de Heer zal hem uiteindelijk redden.

Zusters en broeders, zitten wij niet in eenzelfde situatie?
Ons goed georganiseerde leven werd helemaal door elkaar geschud door een virus dat wereldwijd de mensheid in zijn greep houdt. Het is als een storm op zee die ons danig heen en weer schudt. De golven van de pandemie slaan over onze bootjes. Velen zijn al overboord geslagen en anderen vrezen het ergste en klampen zich vast. Wat zal er gebeuren?
Nochtans vaart Jezus onzichtbaar met ons mee. Sommigen vragen zich openlijk af of Hij in slaap is gevallen en het zich wel aantrekt dat wij dreigen te vergaan.
En dan komt de vraag die ik mezelf stelde naar boven.  Hoe lang nog?
Wanneer begin je er eens aan? Doet het je niets dat wij vergaan?

Het evangelie van Marcus geeft ons het antwoord. Op het moment is ons gelovig leven
stilaan stormachtig geworden. We denken het alleen te moeten redden.
Maar ook vandaag stelt Jezus ook aan ons de vraag waarom we nog geen geloof bezitten.

Alleen wie vertrouwt op de Heer van het leven zal inzien dat God wel degelijk
aanwezig is en dat Hij doorheen zoveel gewone mensen maar ook in wetenschappers en dokters, de storm zal doen gaan liggen. Hij schenkt ons onnoemelijk veel genade.
Alles wat wij moeten doen is geloven en vertrouwen.

“Wie is toch deze man dat zelfs de wind Hem gehoorzamen?”vragen de opvarenden zich af.
Wij mogen meer weten en onze vrees overwinnen in vertrouwen op Hem.

Diaken Hugo Heeren, federatie Gingelom

Elfde zondag door het jaar – homilie

De tijd van God zal komen…

Het thema van deze zondag komt duidelijk aan bod in de eerste lezing uit het boek van de profeet Ezechiël:
“Zo spreekt Jahwe de Heer: (…) Dan zullen alle bomen in het veld erkennen dat Ik, Jahwe, een hoge boom vernederd en een lage boom verheven heb, en dat Ik een sappige boom heb doen verdorren en een dorre boom tot bloei gebracht heb; Ik, Jahwe, heb het gezegd en Ik zal het doen”. 

Hier denken wij direct aan de woorden van Maria in haar ‘Magnificat’: “Machtigen haalt Hij omlaag van hun troon, eenvoudigen brengt Hij tot aanzien; behoeftigen schenkt Hij overvloed, maar rijken zendt Hij heen met ledige handen”.

Met deze gedachten als achtergrond kunnen we de woorden van Jezus in het evangelie van deze zondag beter begrijpen: “En verder: Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait;  hij slaapt en staat op, ‘s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe.  Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de groene halm, dan de aar, dan het volgroeide graan in de aar”.

De aarde, dus, (en met de ‘aarde’ worden wij, de christenen, bedoeld, zoals het jaarthema van ons bisdom uitdrukt: ‘Gods akker zijt gij’) brengt  goede vruchten voort niet door de ‘kracht’ of de ‘wijsheid’ van de man die zaait, maar ‘uit eigen kracht’.
En alleen ‘uit eigen kracht’ wordt een mosterdzaadje, het allerkleinste zaadje op aarde, ‘groter dan alle tuingewassen, en het krijgt grote takken…”.  

Dat zijn de voorwaarden waarzonder geen nieuwe evangelisatie mogelijk is: het besef, namelijk, dat God de hoge bomen vernedert, en het besef dat de aarde uit eigen kracht vruchten voortbrengt. Ze zijn noodzakelijk opdat onze Kerk (die wij met een ‘dorre boom’ kunnen vergelijken) door God tot bloei kan gebracht worden. Door die voorwaarden te voldoen wordt het ‘mosterdzaadje’ dat de Kerk moet zaaien, ‘groter dan alle tuingewassen’, zodat de zovele ‘vogels’ die op zoek zijn naar een plaats waar het echte leven te vinden is, in haar ‘schaduw kunnen nestelen’.

In de lezingen van deze zondag komen, dus, geen ‘pastorale plannen’ ter sprake. Het gaat helemaal niet om onze ‘kracht’ of om onze ‘wijsheid’.
Het gaat liever om het besef van onze kleinheid, van onze onmacht en van onze armoede, waarheden die wij moeten aanvaarden en zelfs beminnen.

Het gaat om iets dat wij de trouw aan de Heer en aan zijn boodschap in alle situaties kunnen noemen, een koste wat kost beleefde trouw. Het gaat om iets kleins maar uiterst krachtig dat schrijvers en filosofen ‘de kleine goedheid’ hebben genoemd.
Het gaat om iets dat de heilige Theresia van Lisieux ‘de kleine weg’ noemde.
Het gaat misschien ook om wat wij ‘het geduld van de boer’ kunnen noemen en dat ons grote hoop kan geven: de vruchten zullen zeker komen. Want (om de woorden van Bonhoeffer te gebruiken): “De dag komt dat het onmogelijk is om openlijk te spreken, maar we zullen bidden, we zullen doen wat juist is: de tijd van God zal komen.”

Priester Renato Buccolini, Wellen

Tiende zondag door het jaar – homilie

Zijn wij familie van Jezus?

Willen wij behoren tot de familie van Jezus?
Je zou kunnen zeggen: “Wij zijn gedoopt,
Wij behoren tot de christelijke familie.”
Maar Jezus zelf doet ons verder denken:
“Wie is mijn moeder? Wie zijn mijn broeders?”, vraagt Hij.
En dan geeft Hijzelf als antwoord:
“Mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij
die de wil van God volbrengen”.
Zijn wij in die zin broeder of zuster van Jezus?

Martijn studeert aan de universiteit,
maar in het weekend speelt hij orgel in de kerk.
Als zijn vrienden hem vragen wat hij in het weekend doet,
dan antwoordt hij zonder problemen
dat hij – buiten de coronatijd – vier keer naar de kerk gaat om orgel te spelen.
Hij studeert voor tandarts en doet mee aan een project
om de toegang tot tandheelkunde toegankelijker te maken voor kansarmen.
Hij kiest ervoor om met geloof bezig te zijn,
na te denken over het geloof.
Bij hem is dat bewust bezig zijn met geloof begonnen
toen een Nederlandse protestantse medestudent hem vroeg naar zijn geloof,
en hij bij zichzelf ontdekte dat hij er weinig van wist.
Toen is hij begonnen met zich te verdiepen in de Bijbel.

In welke mate zijn wij bereid om te groeien in geloof?
Behoren tot de christelijke familie
is geen band die van nature gegeven is,
het vergt een dagelijkse keuze
om te groeien in verbondenheid en verwantschap
met ‘de wil van de Vader’.

Vele mensen willen wel familie zijn van Jezus.
Vele mensen zien iets in zijn levenswijze
en zijn manier om mensen lief te hebben,
en steunen op Hem om het kwaad en de slang
bij zichzelf en in de wereld te bestrijden.
Om te groeien in die liefde,
om sterk te staan tegenover het kwaad,
is er een familieband nodig met Hem:
een besef van ‘Ik luister naar Hem,
ik wil verbonden zijn met Hem,
ik wil Hem tot mijn hart laten spreken.’

Mogen wij Jezus echt opnemen en adopteren
in het hart en de kern van ons leven.

priester Rik Renckens Kortessem

Drie-Eenheid Homilie

Het evangelie en de spirituele traditie van de kerk stellen niet de theoretische vraag of er wel of niet een god bestaat; ze stellen wel de vraag hoe we dichter bij Hem kunnen komen, hoe we meer vanuit Hem en in Hem kunnen leven.  En dat is toch wel een ander perspectief.
Gelovig leven begint er niet mee dat ge een theoretisch vraagstuk gaat oplossen; Gelovig leven begint door twee dingen te gaan doen: door te gaan bidden en door concreet te gaan liefhebben.

Als we dat doen, als we bidden en als we concreet liefhebben, dan zijn we al ‘in God’. Of beter nog: dan is God al in ons. Evangelie vraagt ons geen theoretisch antwoord, maar toont en geeft ons een praktische weg, een handleiding die ons helpt om open te komen voor Gods liefdevolle aanwezigheid.

Het antwoord op de vraag ‘Bestaat God?’ is dus ‘Durf te bidden!’ en ‘Durf lief te hebben!’ Dan zult ge God van binnenuit leren kennen. Dan zult gij steeds meer in God gaan leven en God zal steeds meer in u gaan leven. Dan zullen we steeds meer opgenomen worden in het goddelijke leven en dan zal het goddelijke leven steeds meer opgenomen worden in ons menselijke leven.

God is oneindig groot; is niet te vangen en niet te vatten; maar Hij is tegelijk oneindig klein; oneindig nederig; oneindig dienstbaar. Ja, God is liefde: God is het eeuwige onverwoestbare gebeuren van de liefde tussen de Vader en de Zoon in de eenheid en de verbondenheid van de heilige Geest. Laten wij blij en dankbaar zijn dat wij voor altijd in die liefde mogen wonen.

Deken Wim       

Pinksteren – Homilie

Pinksteren?

De lezingen van deze zondag stellen ons diepe vragen over ons christen-zijn in deze woelige tijd. Een van deze vragen is:  hoe gaan we om met de gave van de Heilige Geest die we bij ons doopsel en vormsel in volle mate ontvingen?
Hier mijn eigen visie daarover.

Op Pinksteren hebben we de gave van de Geest ontvangen niet om te zwijgen, noch als burgers, noch als leden van de Kerk, noch over wat rondom ons gebeurt, noch over wat in de brede wereld gebeurt!
Ik ben maar een ‘christen-in-wording’ maar ik kan niet zwijgen over hetgeen deze dagen in Palestina gebeurt.
Wat zich daar afspeelt is het resultaat van 73 jaar meedogenloze onderdrukking van het Palestijnse volk door de Zionisten van de in 1948 eenzijdig opgerichte staat Israël.
Ze trachten van toen af door alle mogelijke, gewelddadige middelen de Palestijnen uit hun land te zetten of uit te roeien (etnische zuivering van Palestina). Ze doen dat met de volledige steun van de U.S.A. en hun Westerse geallieerden (de Europese Unie op de eerste linie).
Door hun berichtgeving voeden al onze media, trouwe dienaars van de machthebbers, ons sinds onze kinderjaren met het beeld dat de Israëliërs in alle situaties slachtoffers zijn en de Palestijnen terroristen.

Politici en kerkleiders in ons land zwijgen al 73 jaar over de echte oorzaken van het conflict uit schrik beschouwd te worden – vooral door de machtige Israëlische lobby die overal aanwezig is – als ‘antisemieten’. Ze beperken zich tot algemene oproepen tot vrede en het staken van geweld zonder ooit de echte schuldigen aan te wijzen.

Het spook van de uitroeiing van 6 miljoen Joden tijdens WOII (de zogenaamde Shoah) door de nazi’s, de fascisten en hun collaborateurs zweeft nog altijd in heel Europa en snoert de monden van wie zou moeten spreken en schreeuwen tegen de onderdrukking van het Palestijnse volk.
Zodoende geven ze bewust ‘carte blanche’ aan de Zionisten van de staat Israël om te doen wat ze willen, tot het voortdurend stelen van Palestijnse grond door de Israëlische kolonisten en het aanmaken en opslaan van atoombommen.

Als stilzwijgende en beschaafde Europeanen laten we zo de prijs van de Shoah niet in eerste instantie door de Duitsers en de Italianen betalen, maar door de Palestijnen. Ze moeten gewoon aanvaarden uitgeroeid te worden met al hun gezinnen. Deze uitroeiing van honderdduizenden onschuldige Palestijnen door het nietsontziend geweld van de Zionisten (de zogenaamde Nakba) is al begonnen in mei 1948 en gaat nog altijd door met het gebruik van hoogtechnologische wapens en vernietigende bombardementen in de Gazastrook, de grootste openluchtgevangenis van de wereld.

Als de Palestijnen zich daartegen proberen te verzetten, ook door het wanhopige schieten van artisanale raketten vanuit de Gazastrook, worden ze door de hypocrisie van ons Westerlingen bestempeld als terroristen en worden de redenen van hun strijd met alle middelen verzwegen.

Ik ben gelukkig opgegroeid in een cultuur van volledige misprijzing voor de moordende ideologie van nazi’s en fascisten van allerlei soorten, van alle tijden en overal ter wereld en ik ben zeker geen ‘antisemiet’.
Ik ben wel overtuigend ‘antizionist’ en ik zie in hun al 73 jaar oude onderdrukking van het Palestijnse volk een van de grootste oorzaken van het opkomende antisemitisme overal in de wereld.

pastoor Sandro Moretti, Alken

Zevende Paaszondag – Homilie

Jezus bidt voor zijn leerlingen

In het evangelie van deze 7de paaszondag, horen we Jezus bidden voor zijn leerlingen. 
Pasen is al 6 weken voorbij, en toch komt het evangelie van vandaag uit de afscheidsrede, het afscheidsgebed van Jezus op het Laatste Avondmaal.  Het is een goede keuze, want het sluit helemaal aan bij wat we op Onze Lieve Hemelvaart hoorden.  Toen zond Jezus zijn leerlingen de wereld in om zijn boodschap van liefde en vrede uit te dragen, en vandaag bidt Hij dat ze dat in eenheid zouden doen.

Daarnaast houdt Jezus ons voor ogen dat ‘we wel in de wereld staan, maar niet van de wereld zijn’

Hij bidt niet dat zijn leerlingen, en dus ook wij, de wereld achter ons zouden laten, maar dat God ons zou beschermen tegen het kwaad in de wereld.
Tegelijk zendt Hij ons die wereld van geweld en onderdrukking in, om dienstbaar te zijn. 
Hij zendt ons om dienstbaar te zijn voor elkaar, voor zwakken, armen en kansarmen, voor al onze medemensen.

Wij christenen zijn gezonden om de missie van Jezus verder te zetten.  Hiervoor vertrouwt de Heer ons toe aan de liefdevolle zorg van zijn Vader.

In deze dagen op weg naar Pinksteren worden we uitgenodigd om te bidden met geloof.  Als we ons aansluiten bij het gebed van Jezus, die van ganser harte bidt dat wij één mogen zijn, hebben we geloof nodig. 
We hebben dan het geloof in God de Vader, in Jezus, Gods zoon en in de Heilige Geest nodig.
Weet dat het geloof steeds samengaat met ‘hoop en liefde’. 

Laten we daarom vandaag de Heilige Geest vragen om onze Gids te zijn,
dat we leren zien met ogen van geloof, hoop en liefde,
opdat we samen met onze medemensen op de weg van Jezus mogen verder gaan
en één mogen worden. Amen.


Diaken Gert Dujardin

Zesde Paaszondag – homilie

Danken en geven maakt onze vreugde volkomen

Aan de ene kant is er in dit evangelie sprake van ‘gebod en geboden’: ‘Dit is mijn gebod’; ‘als gij mijn geboden onderhoudt..’ en aan de andere kant is er sprake van ‘vreugde’, zelfs van een ‘volkomen vreugde’: ‘Dit zeg Ik u opdat mijn vreugde in u moge zijn en uw vreugde volkomen moge worden.’

Maar al te vaak worden die 2 aspecten – het gebod en de vreugde – uit elkaar gehaald. Maar dat is niet wat het evangelie zegt! Het evangelie heeft het over het gebod van de liefde, het gebod van de zelfgave dat tegelijkertijd voor wie het opvolgt, vreugde brengt. Het evangelie houdt het gebod en de vreugde samen.

Het ware leven ligt volgens het evangelie niet simpelweg in het onderhouden van de morele plichten. Het ware leven ligt ook niet in een sentimenteel gevoel of oppervlakkig plezier. Het ware leven vinden we wanneer we met vreugde onszelf kunnen geven. Sint Paulus schrijft ergens dat God houdt van de ‘hilarem datorem’: van wie geeft met een opgewekt hart – van wie met vreugde kan geven.

En dat is het!! Dat is het wat het evangelie ons wil schenken. Dat is de gave van de heilige Geest: niet dat wij knorrige zure mensen zijn die ons met tegenzin opofferen maar dat wij vrolijke gevers zouden worden. Op het eerste gezicht en in de ogen van de wereld zijn vrolijke gevers misschien naïef, maar ten diepste zijn juist degenen die in blijheid hun leven delen de meest wijzen van allen.         

Deken Wim 

« Older Entries