Category Archives: Vieringen

Derde Paaszondag

We lezen en luisteren naar die oude verhalen vanuit het geloof dat God ons daarin ook vandaag persoonlijk toespreekt.  Zoals hij vroeger sprak tot Abraham, Mozes, Jeremia en zovele anderen, zo spreekt Hij tot elk van ons.
We mogen vertrouwen op de kracht van dit levend Woord : wanneer God zich tot ons richt en wij ons hart voor Hem openen, kan er werkelijk iets aan- en in ons gebeuren.

​Soms kan een overweging, een homilie ons inspireren om een antwoord te vinden op vragen als :‘Wat wil de Heer ons vandaag doorheen deze verhalen zeggen? Wat is zijn belofte aan ons? Waartoe nodigt Hij ons uit? Waartoe roept Hij ons op?”

Eerste Lezing: Hand 3, 13-15. 17-19

In die dagen zei Petrus tot het volk: ‘De God van Abraham, Isaäk en Jakob, de God van onze vaderen heeft zijn dienaar Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd en voor Pilatus verloochend ofschoon deze geoordeeld had Hem in vrijheid te moeten stellen. Maar gij hebt de Heilige en Gerechte verloochend en als gunst de vrijlating van een moordenaar gevraagd. De vorst des levens daarentegen hebt gij gedood. God heeft Hem evenwel uit de doden doen opstaan; daarvan zijn wij getuigen. Maar ik weet, broeders, dat gij in onwetendheid gehandeld hebt, evenals uw overheden. Maar wat God tevoren had aangekondigd bij monde van alle profeten, dat zijn Messias zou sterven heeft Hij zo in vervulling doen gaan. Bekeert u dus en hebt berouw, opdat uw zonden worden uitgewist.’

Antwoordpsalm : Psalm 4

Heer, laat uw licht over ons opgaan.

Als ik U roep, geef mij antwoord,
God, die mij recht verschaft.
Gij, die mij redt uit verdrukking,
wees mij genadig, verhoor mijn gebed!
Ziet hoe de Heer zijn getrouwen begunstigt:
altijd verhoort Hij mij als ik Hem roep.
Zegt men: wie brengt ons geluk?
Heer, laat uw licht over ons opgaan.
Als ik mij neerleg slaap ik gerust,
Gij maakt mij vrij van zorgen.

Tweede Lezing: 1 Joh 2, 1-5a

Dierbaren, ik schrijf u met de bedoeling dat gij niet zoudt zondigen. Maar ook al zou iemand zonde bedrijven: we hebben een voorspreker bij de Vader, Jezus Christus, die geheel zondeloos is, die al onze zonden goedmaakt en niet alleen die van ons maar die van de hele wereld. Hoe weten wij dat wij God kennen? Er is maar een bewijs: dat we ons houden aan zijn geboden. Wie zegt dat hij Hem kent maar zich niet stoort aan zijn geboden is een leugenaar; in zo iemand woont de waarheid niet. Maar in een mens die gehoorzaam is aan Gods woord, in hem is waarlijk Gods liefde volkomen en hieraan weten wij dat wij in Hem zijn.

Evangelie: Lc 24, 35-48

In die tijd vertelden de twee leerlingen wat er onderweg gebeurd was en hoe Jezus door hen herkend werd aan het breken van het brood. Terwijl ze daarover spraken stond Hijzelf plotseling in hun midden en zei: ‘Vrede zij u.’ In hun verbijstering en schrik meenden ze een geest te zien. Maar Hij sprak tot hen: ‘Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart? Kijkt naar mijn handen en voeten: Ik ben het zelf. Betast Mij en kijkt: een geest heeft geen vlees en beenderen zoals ge ziet dat Ik heb.’ En na zo gesproken te hebben toonde Hij hun zijn handen en voeten. Toen ze het van vreugde en verbazing niet konden geloven zei Hij tot hen: ‘Hebt ge hier iets te eten?’ Zij reikten Hem een stuk geroosterde vis aan; Hij nam het en at het voor hun ogen op. Hij sprak tot hen: ‘Dit zijn mijn woorden, die Ik sprak toen Ik nog bij u was: Alles moet vervuld worden wat over Mij staat in de Wet van Mozes, in de profeten en in de psalmen.’ Toen maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften. Hij zei hun: ‘Zo spreken de Schriften over het lijden en sterven van de Messias en over zijn verrijzenis uit de doden op de derde dag, over de verkondiging onder alle volkeren, van de bekering en de vergiffenis der zonden in zijn Naam. Te beginnen met Jeruzalem moet gij van dit alles getuigen.’

Beloken Pasen

Eerste Lezing: Handelingen 4, 32-35

De menigte die het geloof had aangenomen was een van hart en een van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde, integendeel, zij bezaten alles gemeenschappelijk. Met kracht en klem legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van de Heer Jezus en rijke genade rustte op hen allen. Er was geen
enkele noodlijdende onder hen, omdat allen die landerijen of huizen bezaten deze verkochten en de opbrengst ervan meebrachten om aan de voeten van de apostelen neer te leggen. Aan ieder werd daarvan uitgedeeld naar zijn behoefte.

Antwoordpsalm : Psalm 118

Brengt dank aan de Heer, want Hij is genadig,
eindeloos is Zijn erbarmen !
Stammen van Israël, dankt de Heer,
eindeloos is zijn erbarmen!
Herhaalt het, dienaren van de Heer:
eindeloos is zijn erbarmen!
De Heer greep in met krachtige hand,
de hand van de Heer was machtig
Geslagen, getuchtigd heeft mij de Heer,
maar niet ten dode gedoemd.
De steen die de bouwers hebben versmaad
die is tot hoeksteen geworden.
Dit is de dag die de Heer heeft gemaakt,
wij zullen hem vieren in blijdschap.

Tweede Lezing: 1 Joh 5, 1-6

Iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser is, is een kind van God. Welnu, wie de vader liefheeft bemint ook het kind. Willen wij God liefhebben en zijn geboden onderhouden dan moeten wij ook Gods kinderen liefhebben. Dat is onze maatstaf. God beminnen wil zeggen zijn geboden onderhouden en zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden want ieder die uit God geboren is overwint de wereld. En het wapen waarmee wij de wereld overwinnen is geen ander dan ons geloof. Niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is. Hij is het die gekomen is met water en bloed, Jezus Christus.

Evangelie: Johannes 20, 19-31

Op de avond van de eerste dag van de week, toen de deuren van de verblijfplaats van de leerlingen gesloten waren uit vrees voor de joden, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: ,,Vrede zij u.” Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen.
Nogmaals zei Jezus tot hen: ,,Vrede zij u.” Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” Na deze woorden blies Hij over hen en zei: ,,Ontvangt de heilige Geest. Als gij iemand zonden vergeeft, dan zijn ze vergeven, en als gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” Tomas, één van de twaalf, ook Didymus genaamd, was echter niet bij hen toen Jezus kwam. De andere leerlingen vertelden hem: ,,Wij hebben de Heer gezien.” Maar hij antwoordde: ,,Zolang ik in zijn
handen niet het teken van de nagelen zie, en mijn vinger in de plaats van de nagelen kan steken, en mijn hand in zijn zijde leggen, zal ik zeker niet geloven.” Acht dagen later waren zijn leerlingen weer in het huis bijeen, en nu was Tomas erbij. Hoewel de deuren gesloten waren, kwam Jezus binnen, ging in hun midden staan en zei: ,,Vrede zij u.” Vervolgens zei Hij tot Tomas: ,,Kom hier met uw vinger en bezie mijn handen. Steek uw hand uit en leg die in mijn zijde en wees niet langer ongelovig maar gelovig.” Toen riep Tomas uit: ,,Mijn Heer en mijn God!” Toen zei Jezus tot hem: ,,Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge? Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.” In het bijzijn van zijn leerlingen heeft Jezus nog vele andere tekenen gedaan die niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt in zijn Naam.

PALMZONDAG – LEZINGEN

We hebben de viering van Palmzondag ook voorzien van een boekje waar jullie de volledige viering in kunnen volgen. Download het boekje via deze link.

Evangelie palmwijding Mc 11, 1-10

Toen Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem naderden en de Olijfberg bestegen in de  richting van Betfage, zond Jezus twee van hen vooruit met de opdracht: ‘Gaat naar het dorp, daar vóór u, en het eerste dat ge zult vinden is een vastgebonden ezelin met een veulen. Maakt die los en brengt ze bij Mij. En als iemand u een aanmerking maakt, zegt dan: de Heer heeft ze nodig, maar zal ze spoedig terugsturen.’ Dit gebeurde, opdat in vervulling zou gaan het woord van de profeet: ‘Zeg aan de dochter van Sion: zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier.’ De leerlingen begaven zich op weg en deden wat Jezus hun had  opgedragen. Zij brachten de ezelin met haar veulen, legden er hun mantels overheen en Hij ging erop zitten. Zeer velen uit het volk spreidden hun mantels uit op de weg, terwijl anderen de weg bedekten met twijgen die zij van de bomen hadden gesneden. De mensen die Hem omstuwden, jubelden: ‘Hosanna, Zoon van David, gezegend Hij die komt in de naam van de Heer! Hosanna in den hoge!’ Toen Hij Jeruzalem binnentrok, raakte de hele stad in beroering en men vroeg: ‘Wie is dat?’ Het volk antwoordde: ‘Dit is de profeet Jezus uit Nazaret in Galilea.

Eerste lezing Jes 50, 4-7

God de Heer heeft Mij de gave van het woord geschonken: Ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot Mij en Ik luister met volle overgave. God de Heer heeft tot Mij gesproken en Ik heb Mij niet verzet, Ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood Ik aan wie Mij sloegen, mijn wangen aan wie Mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb Ik niet afgewend van wie Mij smaadden en Mij espuwden. God de Heer zal Mij helpen: daarom zal Ik niet beschaamd staan en zal Ik geen spier vertrekken. Ja, Ik weet dat Ik niet te schande zal worden.

Tweede Lezing: Fil 2, 6-11

Broeders en zusters, Hij, die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de Naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.

Evangelie: Mc 14, 1 – 15, 47 of 15, 1-39

Over twee dagen was het feest van Pasen en van het ongedesemde brood. De hogepriesters en de Schriftgeleerden zochten op welke manier zij Jezus door list zouden kunnen grijpen en Hem ter dood zouden kunnen brengen. Want ze dachten: ‘Niet op het feest; er mochten anders eens onlusten ontstaan onder het volk.’ Terwijl Jezus zich te Betanië bevond in het huis van Simon de Melaatse en daar aan tafel aanlag, kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte, zeer dure nardusbalsem. Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud uit over zijn hoofd. Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar: ‘Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig geweest? De balsem had voor meer dan driehonderd denaries verkocht kunnen worden ten bate van de armen.’ Toen zij tegen haar uitvoeren sprak Jezus: ‘Laat haar met rust. Waarom valt ge haar lastig? Het is toch een goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan. Armen hebt gij altijd in uw midden en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt; maar Mij hebt gij niet altijd. Zij heeft gedaan wat in haar macht was; zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd met het oog op mijn begrafenis. Voorwaar, Ik zeg u: waar ook ter wereld de Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft.’ Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf, naar de hogepriesters om Hem aan hen uit te leveren. Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld. Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren. Op de eerste dag van het ongedesemde brood, de dag waarop men het paaslam slacht, zeiden zijn leerlingen tot Hem: ‘Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen zodat Gij het paasmaal kunt houden?’ Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de opdracht: ‘Gaat naar de stad en daar zult ge een man tegenkomen die een kruik water draagt; volgt hem en zegt aan de eigenaar van het huis waar hij binnengaat: de Meester laat vragen: waar is de zaal voor Mij waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden? Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien met rustbedden en van al het nodige voorzien; maakt daar alles voor ons klaar.’ De leerlingen vertrokken, gingen de stad binnen, vonden alles zoals Hij het hun gezegd had en maakten het paasmaal gereed. Toen de avond gevallen was kwam Hij met de twaalf. Terwijl zij aan tafel aanlagen en de maaltijd aan de gang was zei Jezus: ‘Voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij overleveren, een die met Mij eet.’ Droefheid maakte zich van hen meester en zij begonnen, de een na de ander, Hem te vragen: ‘Ik ben het toch niet?’ Hij antwoordde hun: ‘Een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt. Wel gaat de Mensenzoon heen zoals van Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd! Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was, die mens!’ Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het hun, met de woorden: ‘Neemt, dit is mijn Lichaam.’ Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe en zij dronken allen daaruit. En Hij sprak tot hen: ‘Dit is mijn Bloed van het Nieuwe Verbond, dat vergoten wordt voor velen. Voorwaar, Ik zeg u: Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik het nieuw zal drinken in het Koninkrijk van God.’ Nadat zij de lofzang gezongen hadden gingen zij naar de Olijfberg. Toen sprak Jezus tot hen: ‘Allen zult gij ten val komen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea.’ Toen zei Petrus: ‘Al komen allen ten val, ik zeker niet.’ Jezus antwoordde hem: ‘Voorwaar, Ik zeg u: nog heden, nog deze nacht, voordat de haan tweemaal kraait, zult juist gij Mij driemaal verloochenen.’ Maar met nog meer nadruk verzekerde Petrus: ‘Al moest ik met U sterven, in geen geval zal ik U verloochenen.’ In diezelfde geest spraken allen. Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette. Daar zei Hij tot zijn leerlingen: ‘Blijft hier zitten, terwijl Ik bid.’ Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen. Hij sprak tot hen: ‘Ik ben bedroefd tot stervens toe. Blijft hier en waakt.’ Nadat Hij een weinig verder was gegaan, wierp Hij zich ter aarde en bad dat dit uur, als het mogelijk was, aan Hem mocht voorbijgaan. ‘Abba, Vader,’ – zo bad Hij – ‘voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt.’ Toen ging Hij terug en vond hen in slaap; en Hij sprak tot Petrus: ‘Simon, slaapt ge? Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken? Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.’ Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met dezelfde woorden. En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap want hun oogleden waren zwaar; ze wisten niet, wat ze Hem moesten antwoorden. Toen Hij voor de derde maal terugkwam sprak Hij tot hen: ‘Slaapt dan maar door en rust uit. Het is zover, het uur is gekomen; zie, de Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van de zondaars. Staat op, laten we gaan; mijn verrader is nabij.’ Hij was nog niet uitgesproken, of daar kwam Judas, een van de twaalf, vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters, Schriftgeleerden en oudsten. Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen: ‘Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg.’ Hij ging recht op Jezus af en zei: ‘Rabbi!’ En hij kuste Hem. Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester. Maar een van die er bij stonden trok zijn zwaard en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af. Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden: ‘Als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels om Mij gevangen te nemen. Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel en toch hebt ge Mij niet gegrepen. Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan. Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht. Toch ging een jongeman, die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen, Hem achterna. Ze grepen hem, maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg. Men bracht Jezus haar de hogepriester, waar alle hogepriesters, oudsten en Schriftgeleerden bijeenkwamen. Petrus volgde Hem op een afstand tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester en nam plaats onder het dienstvolk om zich bij het vuur te warmen. De hogepriesters en het hele Sanhedrin zochten naar een getuigenis tegen Jezus om Hem ter dood te kunnen brengen, maar zij vonden er geen. Wel brachten velen valse getuigenissen tegen Hem in maar hun getuigenissen stemden niet overeen. Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden: ‘Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken en in drie dagen een andere opbouwen die niet door mensenhanden is gemaakt.’ Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eensluidend. Toen stond de hogepriester in hun midden op en hij vroeg aan Jezus: ‘Geeft Ge in het geheel geen antwoord? Wat getuigen deze mensen tegen U?’ Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord. Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag: ‘Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?’ Jezus antwoordde: ‘Ja, dat ben Ik: en gij zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen met de wolken des hemels.’ Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit: ‘Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Ge hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt u?’ Allen spraken het vonnis uit, dat Hij de dood verdiende. Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en, na zijn gelaat bedekt te hebben, Hem met de vuist te slaan terwijl ze zeiden: ‘Wees nu eens profeet!’ Ook de knechten dienden Hem slagen toe. Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond kwam daar één van de dienstmeisjes van de hogepriester. Toen zij Petrus zag die zich zat te warmen, keek ze hem eens aan en zei: ‘Gij waart ook bij Jezus de Nazarener.’ Maar hij ontkende het: ‘Ik weet niet, ik begrijp niet wat ge bedoelt.’ En terwijl hij wegging naar het poortgebouw kraaide een haan. Maar toen het meisje hem daar opmerkte, verzekerde ze nog eens aan de omstanders: ‘Die is er ook een van.’ Hij ontkende het opnieuw. Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot Petrus: ‘Waarachtig, gij zijt er ook een van; ge zijt toch ook een Galileeër.’ Toen begon hij te vloeken en te zweren: ‘Ik ken die man niet waarover gij het hebt.’ Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer. Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had: Voordat een haan tweemaal kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen. En hij barstte in tranen uit. In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit: de hogepriesters met de oudsten en Schriftgeleerden, heel het Sanhedrin. Zij boeiden Jezus, voerden Hem weg en leverden Hem uit aan Pilatus. Pilatus stelde Hem de vraag: ‘Zijt Gij de koning der Joden?’ Hij antwoordde hem: ‘Gij zegt het.’ Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem inbrachten, ondervroeg Pilatus Hem weer en zei: ‘Geeft Gij in het geheel geen antwoord? Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen?’ Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer, zodat Pilatus verbaasd was. Nu was hij gewoon bij elk feest één gevangene vrij te laten, degene om wie zij vroegen. Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers; zij hadden bij het oproer een moord begaan. Het volk kwam opzetten en begon te vragen, dat hij voor hen zou doen zoals altijd. Pilatus antwoordde daarop met de vraag: ‘Wilt ge dat ik de koning der Joden zal vrijlaten?’ Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden. Maar de hogepriesters hitsten het volk op te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten. Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun: ‘Wat moet ik dan doen met Hem die gij de koning der Joden noemt?’ Nu schreeuwden ze opnieuw: ‘Kruisig Hem!’ Daarop vroeg Pilatus hun: ‘Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?’ Maar zij schreeuwden nog harder: ‘Kruisig Hem!’ Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en gaf Hem over om gekruisigd te worden. Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen, dat wil zeggen het pretorium, en riepen de hele afdeling bij elkaar. Zij hingen Hem een purperen kleed om, vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op. Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen: ‘Gegroet, koning der Joden.’ Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd, bespuwden Hem en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen. Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden, ontdeden zij Hem van het purperen kleed, trokken Hem zijn eigen kleren aan en voerden Hem weg om Hem te kruisigen. Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus, tot het dragen van het kruis. Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met schedelplaats. Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan, maar Hij weigerde. Nadat ze Hem gekruisigd hadden verdeelden ze zijn kleren en dobbelden om wat ieder krijgen zou. Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden. Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde: De koning der Joden. Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers, de een rechts, de ander links van Hem. Zo ging in vervulling dit Schriftwoord: Hij is onder de booswichten gerekend. Voorbijgangers hoonden Hem, terwijl ze het hoofd schudden en zeiden: ‘Ha, Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, kom van dat kruis af en red U zelf.’ In diezelfde geest zeiden de hogepriesters en Schriftgeleerden spottend onder elkaar: ‘Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden. Die Messias, die koning van Israël, laat Hem nu van het kruis afkomen; dan zullen we zien en geloven!’ Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem beschimpingen toe. Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. En op het negende uur riep Jezus met luider stem: ‘Eloï, Eloï, lam sabaktani?’ Dit is vertaald: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Enkele omstanders, die het hoorden, zeiden: ‘Hoor, Hij roept Elia.’ Een van hen ging een spons halen, drenkte die in zure wijn, stak hem op een rietstok en bood Hem te drinken, terwijl hij zei: ‘Laat me begaan! We willen eens zien of Elia hem er af komt halen.’ Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën. De honderdman die tegenover Hem post had gevat en zag dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven, riep uit: ‘Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.’ Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken; onder hen bevonden zich Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses, en Salóme. Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef, gevolgd om voor Hem te zorgen; verder nog vele andere vrouwen die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren. Het was al avond geworden en het was Voorbereiding, dat wil zeggen de dag voor de sabbat. Jozef van Arimatéa, een vooraanstaand lid van de Hoge Raad, die zelf ook in de verwachting van het Rijk Gods leefde, waagde het daarom naar Pilatus te gaan en te vragen om het lichaam van Jezus. Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn; hij liet dan ook de honderdman roepen en vroeg hem, of Hij al gestorven was. Nadat hij door de honderdman op de hoogte was gebracht, stond hij welwillend het lijk aan Jozef af. Deze kocht een lijnwaad, nam Hem van het kruis en wikkelde Hem in het lijnwaad. Daarop legde hij Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang ervan. Mari Magdalena en Maria de moeder van Joses zagen toe, waar Hij werd neergelegd.

5de zondag van de veertigdagentijd – lezingen

Eerste Lezing: Jer 31, 31-34

Er komt een tijd – godsspraak van de Heer – dat Ik met Israël een nieuw verbond sluit. Geen verbond zoals Ik met hun voorvaderen gesloten heb, toen Ik hen bij de hand heb genomen om hen uit Egypte te leiden. Want dat verbond hebben zij verbroken, ofschoon Ik hun meester was – godsspraak van de Heer -. Dit is het nieuwe verbond dat Ik in de toekomst met Israël sluit: Ik leg mijn wet in hun binnenste, Ik grif ze in hun hart. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Dan hoeft niemand een ander nog voor te houden: Leer de Heer kennen. Want iedereen, groot en klein kent Mij dan – godsspraak van de Heer -. Dan vergeef Ik hun misstappen, Ik denk niet meer aan hun zonden.

Antwoordpsalm : Ps 51

Schep in mij een zuiver hart, mijn God,
God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid,
delg mijn zondigheid in uw erbarmen.
Was mijn schuld volkomen van mij af,
reinig mij van al mijn zonden.
Schep in mij een zuiver hart, mijn God,
geef mij weer een vastberaden geest.
Wil mij niet verstoten van uw Aanschijn,
neem uw heilige Geest niet van mij weg.
Geef mij weer de weelde van uw zegen,
maak mij sterk in edelmoedigheid.
Dan zal ik de dwalenden uw wegen leren,
alle schuldigen terugvoeren tot U.

Tweede Lezing Hebr 5, 7-9

Broeders en zusters, in de dagen van het sterfelijk leven heeft Christus onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden. Om zijn vroomheid is Hij verhoord: hoewel Hij Gods Zoon was heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd; en toen Hij het einde had bereikt is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak geworden van eeuwig heil.

Evangelie: Joh 12, 20-33

Onder degenen die bij gelegenheid van het feest optrokken ter aanbidding waren ook enige Grieken. Deze nu klampten Filippus van Betsaïda in Galilea aan en vroegen hem: ‘Heer, wij zouden Jezus graag spreken.’ Filippus ging het aan Andreas vertellen en tenslotte brachten Andreas en Filippus de boodschap aan Jezus over. Jezus echter antwoordde hun: ‘Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt blijft hij alleen; maar als hij sterft brengt hij veel vrucht voort. Wie zijn leven bemint verliest het; maar wie zijn leven in deze wereld haat zal het ten eeuwigen leven bewaren. Wil iemand Mij dienen dan moet hij Mij volgen; waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient zal de Vader hem eren. Nu is mijn
ziel ontroerd. Wat moet Ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur? Maar daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw Naam.’ Toen kwam er een stem vanuit de hemel: ‘Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken.’ Het volk dat er bij stond te luisteren zei dat het gedonderd had. Anderen zeiden: ‘Een engel
heeft tot Hem gesproken.’ Maar Jezus sprak: ‘Niet om Mij was die stem maar om u. Nu heeft er een oordeel over de wereld plaats, nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen; en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven zal Ik allen tot Mij trekken.’ Hiermee duidde Hij aan welke dood Hij zou sterven.

4de zondag van de 40-dagentijd – lezingen

Eerste Lezing: 2 Kron 36, 14-16. 19-23

In die dagen maakten ook al de voornaamste priesters en het volk zich herhaaldelijk schuldig aan de gruweldaden der heidenen en ontheiligden de tempel van Jeruzalem die aan de Heer gewijd was. En de Heer, de God van hun voorvaderen, stuurde al maar gezanten naar hun toe, want Hij had medelijden met zijn volk en met zijn woning. Maar zij verachtten Gods gezanten, spotten met hun boodschap en maakten zich vrolijk over de profeten zodat tenslotte de toorn des Heren wel genadeloos moest losbarsten over het volk. De koning der Chaldeeën liet de tempel in brand steken en de muur van Jeruzalem afbreken en alle paleizen liet hij plat branden zodat alle kostbaarheden verloren gingen. Allen die aan het zwaard ontkomen waren, liet hij in ballingschap wegvoeren naar Babel waar zij hem en zijn zonen als slaven moesten dienen tot het Perzische rijk aan de macht kwam. Zo ging de voorspelling in vervulling die de
Heer bij monde van Jeremia gedaan had: ‘Zolang het land zijn sabbatjaren niet vergoed gekregen heeft zal het braak blijven liggen: zeventig jaar lang.’ In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging de voorspelling in vervulling die de Heer bij monde van Jeremia gedaan had: de Heer wekte de geest op van Cyrus, de koning van Perzië.
Deze liet in heel zijn koninkrijk de volgende boodschap afkondigen en ook schriftelijk verspreiden: ‘Zo spreekt Cyrus, de koning van Perzië: De Heer, de God des Hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde geschonken. Hij heeft mij opgedragen voor Hem te Jeruzalem in Juda een tempel te bouwen: laten allen onder u die tot het volk des Heren behoren onder de hoede van de Heer, hun God, terugkeren naar Jeruzalem.’

Antwoordpsalm : Ps 137

Moge mijn tong in mijn mond blijven kleven
als ik aan u niet meer denk.
Wij zaten aan Babylons stromen en weenden,
denkend aan Sion;
en aan de wilgen die daar staan,
hingen de citers.
Onze ontvoerders vroegen gezangen,
onze verdrukkers een vrolijk lied:
zingt ons van Sion!
Zouden wij dan van de Heer kunnen zingen,
hier in dit vreemde land?
Als ik, Jeruzalem, u ooit vergeet,
moge mijn hand verlammen;
moge mijn tong in mijn mond blijven kleven,
als ik aan u niet meer denk;
als ik Jeruzalem zou willen ruilen
voor wat plezier.

Tweede Lezing: Ef 2, 4-10

Broeders en zusters, God die rijk is aan erbarming, heeft wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad ons met Christus ten leven gewekt, hoewel wij dood waren door onze zonden; aan zijn genade dankt gij uw redding. En Hij heeft ons samen met Hem doen opstaan en zetelen in de hemelen, in Christus Jezus, om de naderbij komende eeuwen de overgrote rijkdom van zijn genade te tonen door zijn goedheid jegens ons in Christus Jezus. Ja, aan die genade dankt
gij uw heil, door het geloof; niet aan uzelf: Gods gave is het; niet aan uw prestaties, niemand mag zich verhovaardigen. Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus om in ons leven de goede daden te realiseren die God voor ons al bereid heeft.

Evangelie: Joh 3, 14-21

In die tijd sprak Jezus tot Nikodemus: ‘De Mensenzoon moet omhoog worden geheven zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben. Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan maar eeuwig leven zal hebben. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered. Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon Gods. Hierin bestaat het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis meer dan het licht, omdat hun daden slecht
waren. leder die slecht handelt heeft afschuw van het licht en gaat niet naar het licht toe, uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden. Maar wie de waarheid doet gaat naar het licht, opdat van zijn daden moge blijken dat zij in God zijn gedaan.

« Older Entries