Category Archives: Vieringen

2de zondag van de Advent

Eerste Lezing: Baruch 5, 1-9

Jeruzalem, leg uw kleed van rouw en ellende af; en bekleed u voor immer met Gods heerlijke schoonheid. Sla uw mantel van Gods gerechtigheid om, zet op uw hoofd de schitterende kroon van de Eeuwige. Want God wil uw luister laten zien overal op aarde. Voor eeuwig geeft God u de naam: “Vrede door gerechtigheid” en “Glorie door vroomheid.” Op, Jeruzalem, ga op de hoogte staan en kijk uit naar het oosten: daar zijn uw kinderen weer samen op het woord
van de Heilige, van zonsopgang tot zonsondergang. Zij zijn blij nu God weer aan hen denkt. Te voet gingen zij van u heen, weggesleept door de vijand, maar eervol brengt God hen terug, gedragen als op een koningstroon. God beval alle hoge bergen en eeuwige heuvels te slechten en de dalen op te vullen, zodat het hele land een effen vlakte wordt en Israël veilig optrekt onder de glorie van God. Ook de bossen en alle geurige bomen geven de schaduw aan Israël op Gods bevel. Want God leidt het jubelende Israël in zijn heerlijk licht; met zijn barmhartigheid zal Hij hen omgeven én met zijn gerechtigheid.

Antwoordpsalm : Ps 126

Geweldig was het wat de Heer ons deed, daarom zijn wij zo blij
De Heer bracht Sions ballingen terug:
het was alsof wij droomden.
Toen lachten alle monden
en juichte elke tong.
Toen zei men bij de volken:
geweldig is het wat de Heer hen deed.
Geweldig was het wat de Heer ons deed,
daarom zijn wij zo blij.
Keer nu ons lot ten goede, Heer,
zoals een beek doet in de Zuid-woestijn.
Die onder tranen zaaien,
zij oogsten met gejuich.
Vol zorgen gaan zij uit
met zaaizakken beladen;
maar keren zingend weer,
beladen met hun schoven.

Tweede Lezing: Filippenzen 1, 3-6.8-11

Broeders en zusters, ik dank mijn God telkens als ik u gedenk, altijd, bij al mijn gebeden voor u allen. En ik verricht mijn gebed met blijdschap, omdat gij van de eerste dag tot nu toe uw deel hebt bijgedragen tot de prediking van het evangelie. Ik ben er zeker van, dat Hij, die het goede werk in u begonnen is, het zal voltooien tegen de dag van Christus Jezus. God weet hoe vurig ik naar u allen verlang, met de innigheid van Christus Jezus zelf. En dit is mijn bede: moge uw liefde steeds rijker worden aan inzicht en fijngevoeligheid, om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult gij op de dag van Christus ongerept en onberispelijk zijn, verzadigd met de vrucht der gerechtigheid, die komt van Jezus Christus, tot eer en lof van God.

Evangelie: Lucas 3, 1-6

Het gebeurde in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius: Pontius Pilatus was landvoogd van Judea; Herodes gouverneur van het gewest Iturea en Trachonitis en Lysanias gouverneur van Abilene; Annas en Kajafas bekleedden het hogepriesterschap. Toen kwam het woord van God over Johannes, zoon van Zacharias, die in de woestijn verbleef. Hij begon op te treden in heel de Jordaanstreek en een doopsel van bekering te preken tot vergeving van zonden, volgens de profetie, die geschreven staat in het boek van Jesaja: Een stem roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer,
maakt zijn paden recht. Elk dal moet gevuld elke berg of heuvel geslecht worden; de kronkelpaden moeten recht, de ruwe wegen effen worden. Heel de mensheid zal Gods redding zien.

1ste zondag van de Advent

Eerste Lezing: Jeremia 33, 14-16

Zo spreekt de Heer: Er komt een tijd, dat Ik de belofte vervul, die Ik aan Israël en Juda gedaan heb. Dan schenk Ik David een wettige afstammeling, die het land rechtvaardig en eerlijk bestuurt. In die dagen wordt Juda gered en is Jeruzalem veilig. En die stad zal heten: Heer, onze gerechtigheid.

Antwoordpsalm : Ps 25

Tot U in den hoge richt ik mijn geest, tot U, Heer, mijn God.
Wijs mij uw wegen,
Heer, leer mij uw paden kennen.
Leid mij volgens uw woord,
want Gij zijt mijn God en Verlosser.
De Heer is goed en rechtschapen,
daarom wijst Hij zondaars de weg.
Hij leidt de geringe langs eenzame paden,
Hij leert de eenvoudige wat hij moet doen.
De wegen van God zijn goed en betrouwbaar
voor ieder die zijn verbond onderhoudt.
Een vriend is de Heer voor hen die Hem vrezen,
Hij toont hen de waarde van zijn verbond.

Tweede Lezing: 1 Tess 3, 12-4, 2

Broeders en zusters, moge de Heer u overvloedig doen toenemen in liefde voor elkaar en voor alle mensen, zoals ook mijn liefde uitgaat naar u. Hij sterke uw hart, zodat gij onberispelijk zijt en heilig voor het aanschijn van God, onze Vader, bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen. Voor het overige, broeders en zusters, vragen en vermanen wij u in de Heer Jezus, dat gij de overlevering, die gij van ons hebt ontvangen, de overlevering namelijk over een levenswandel, die God welgevallig is, nog trouwer naleeft dan gij al doet. Gij kent de voorschriften, die wij u op gezag van de Heer Jezus gegeven hebben.

Evangelie: Lucas 21, 25-28.34-36

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Er zullen tekenen zijn aan de zon, maan en sterren en op de aarde zullen volkeren in angst verkeren, radeloos door het gebulder van de onstuimige zee. De mensen zullen het besterven van schrik, in spanning om wat de wereld gaat overkomen. Want de hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken. Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk, met macht en grote heerlijkheid. Wanneer zich dit alles
begint te voltrekken, richt u dan op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing komt nabij. Zorg ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven; laat die dag u niet onverhoeds grijpen als in een strik; want hij zal komen over alle mensen, waar ook ter wereld. Weest daarom
altijd waakzaam en bidt dat ge in staat moogt zijn te ontkomen aan al die dingen, die zich gaan voltrekken, en dat ge stand moogt houden voor het aangezicht van de Mensenzoon.”

Christus Koning

Eerste Lezing: Dan. 7, 13-14

In die tijd nam Daniël het woord en zei: “In mijn nachtelijk visioen zag ik met de wolken des hemels iemand aankomen, die op een mens geleek. Hij ging naar de Hoogbejaarde en werd voor Hem geleid. Toen werd Hem heerschappij gegeven, luister en koninklijke macht; alle volken, stammen en talen brachten Hem hun hulde. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die nooit vergaat, zijn koninkrijk gaat nooit ten gronde.”

Antwoordpsalm : Ps 93

De Heer is koning, met luister omkleed.
De Heer is koning, met luister omkleed,
met macht heeft de Heer zich omgord.
Zo vast als de aarde, onwankelbaar,
zo vast staat uw troon door de eeuwen.
De golven rijzen steeds hoger, Heer,
de golven met dreunend geweld.
Maar machtiger dan het geraas van de golven,
is de macht van de Heer daarboven.
Betrouwbaar is alles wat Gij betuigt,
uw huis zij heilig in lengte van dagen.

Tweede Lezing: Apok. 1, 5-8

Broeders en zusters, genade zij u van Jezus Christus, de getrouwe getuige, de eerstgeborene van de doden en de vorst van de koningen der aarde. Aan Hem die ons liefheeft en die ons van de zonden heeft verlost door zijn bloed, die ons gemaakt heeft tot een koninkrijk van priesters voor zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen! Amen. Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem aanschouwen, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, Amen! Ik ben de Alfa en de Omega – zegt God de Heer – Hij die is en die was en die komt, de Albeheerser.”

Evangelie: Joh. 18, 33b-37

In die tijd riep Pilatus Jezus bij zich en zei tot Hem: “Zijt gij de koning der Joden?” Jezus antwoordde hem: “Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?” Pilatus gaf ten antwoord: “Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de hogepriesters hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt Gij gedaan?” Jezus antwoordde: “Mijn koningschap is niet van deze wereld. Zou mijn koningschap van deze wereld zijn, dan zouden mijn dienaars er wel voor gestreden hebben, dat Ik niet aan de Joden werd uitgeleverd. Mijn koningschap is evenwel niet van hier.” Pilatus hernam: “Gij zijt dus
toch koning?” Jezus antwoordde: “Ja, koning ben Ik. Hiertoe werd Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Al wie uit de waarheid is luistert naar mijn stem.”

Eenendertigste zondag door het jaar

Eerste lezing: Dt 6, 2-6

Mozes sprak tot het volk en zei: “Vrees de Heer uw God door al zijn voorschriften en geboden na te komen, die ik u opleg. Luister dan, Israël, en volbreng ze nauwgezet. Dan zult ge gelukkig zijn en talrijk worden in het land van melk en honing dat de Heer, de God van uw vaderen, u heeft beloofd. Luister, Israël, de Heer is onze God, de Heer alleen! Gij moet de Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten. De geboden, die ik u heden
voorschrijf, moet ge in uw hart prenten.”

Antwoordpsalm: psalm 18

Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij,
mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.
Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij,
mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.
Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind,
mijn schild, mijn behoud en bescherming.
Wanneer ik de Heer aanroep, Hij zij geprezen,
dan doet geen vijand mij kwaad.
Want golven van doodsgevaar sloten mij in,
een stortvloed van onheil maakte mij angstig.
De Heer zij geprezen, gezegend mijn rots,
verheerlijkt zij God, mijn verlosser.
Want Gij hebt uw koning de zege geschonken,
uw gunsten bewezen aan uw gezalfde.

Tweede lezing: Heb 7, 23-28

Broeders en zusters, in het eerste verbond moesten meerderen priester worden, omdat de dood hen belet in functie te blijven; maar Jezus’ priesterschap is onvergankelijk, omdat Hij in eeuwigheid blijft. Daarom is Hij ook in staat hen voor altijd te redden die door zijn tussenkomst God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten. Zulk een hogepriester hadden wij ook nodig; een die heilig is, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars, hoog verheven boven de hemelen. Hij hoeft ook niet, zoals de hogepriesters, elke dag opnieuw eerst voor zijn eigen zonden offers op te dragen en daarna voor die van het volk, want dit heeft Hij eens voor al gedaan, toen Hij zichzelf ten offer bracht. De wet stelt als hogepriester mensen aan, met zwakheid behept; maar de eed, die uitgesproken is ná de wetgeving, wijst de Zoon aan, die volmaakt is in eeuwigheid.

Evangelie: Mc 12, 28b-34

In die tijd trad een Schriftgeleerde op Jezus toe en legde Hem de vraag voor: “Wat is het allereerste gebod?” Jezus antwoordde: “Het eerste is: Hoor, Israël! De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht. Het tweede is: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Er is geen ander gebod voornamer dan die twee.” Toen zei de schriftgeleerde tot Hem: “Juist, Meester, terecht hebt Ge gezegd Hij is de enige, en er bestaat geen andere buiten Hem; en Hem beminnen met heel zijn hart, heel zijn verstand en heel zijn kracht en de naaste beminnen als zichzelf, dat gaat boven alle branden slachtoffers.” Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had, zei Hij hem: “Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.” En niemand durfde Hem nog een vraag stellen.

26ste zondag door het jaar

Eerste Lezing: Num 11, 25-29

In die dagen daalde de Heer neer in een wolk, sprak tot Mozes en legde een deel van de geest die op Mozes rustte, op de zeventig oudsten. En toen de geest op hen rustte, profeteerden zij, maar later hebben zij het niet meer gedaan. Nu waren er twee mannen in het kamp gebleven. De een heette Eldad, de ander Medad. Ook op hen rustte de geest – zij stonden op de lijst al waren zij niet naar de tent gegaan – en zij profeteerden in het kamp. Een jongen ging het ijlings aan Mozes vertellen en zei: ‘Eldad en Medad zijn aan het profeteren in het kamp.’ Jozua, de zoon van Nun, die reeds als jongeman in dienst van Mozes gekomen was, zei daarop tot Mozes: ‘Mijn heer, dat moet u hen verbieden.’ Mozes zei hem: ‘Waarom komt u voor mij op? Ik zou willen dat heel het volk van de Heer profeteerde en dat de Heer zijn geest op hen legde.”

Antwoordpsalm : Ps 19

Rechtmatig zijn al zijn bevelen.
De wet van de Heer is volkomen,
zij sterkt de onzekere geest.
Zijn voorschriften zijn betrouwbaar,
onwetenden maken zij wijs.
Het woord van de Heer is eerlijk,
het blijft in eeuwigheid waar.
Zijn uitspraken zijn waarachtig,
rechtvaardig in iedere zaak.
Uw dienaar neemt ze ter harte,
hij wordt er rijk voor beloond.
Maar wie beseft al zijn feilen?
Vergeef mij ook wat ik niet weet.
Bescherm uw knecht tegen hoogmoed,
geef die geen macht over mij.
Dan zal ik rechtschapen en rein zijn,
door geen gemeenheid bevlekt.

Tweede Lezing: Jak 5, 1-6

Broeders en zusters, gij die rijk zijt: weent en jammert om de rampen die over u komen. Uw rijkdom is verrot, uw mooie kleren zijn door motten aangetast, uw goud en zilver is verroest. Die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw vlees verteren. Schatten hebt gij verzameld, terwijl het de laatste dagen zijn. Hoort, het loon dat gij hebt onthouden aan de arbeiders die uw velden hebben gemaaid roept luid, en de kreten van uw oogsters zijn doorgedrongen tot de
oren van de Heer der heerscharen. Gij hebt op aarde gezwelgd en gebrast, gij hebt u vetgemest voor de dag van de slachting. Gij hebt de rechtvaardige gevonnist en vermoord; hij heeft geen verweer tegen u.

Evangelie: Mc 9, 38-43. 45. 47-48

In die tijd zei Johannes tot Jezus: ‘Meester, we hebben iemand die ons niet volgt in uw naam duivels zien uitdrijven, en we hebben getracht het hem te beletten omdat hij geen volgeling van ons was.’ Maar Jezus zei: ‘Belet het hem niet, want iemand die een wonder doet in mijn Naam zal niet zo grif ongunstig over Mij spreken. Wie niet tegen ons is, is voor ons. Als iemand u een beker water te drinker geeft omdat gij van Christus zijt, voorwaar Ik zeg u: zijn loon
zal hem zeker niet ontgaan. Maar als iemand een van deze kleinen die geloven, aanleiding tot zonde geeft, het zou beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp. Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven, hak ze af; het is beter voor u verminkt het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee handen in de hel te komen, in het onblusbaar vuur. Het is beter voor u kreupel het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee voeten in de hel te worden geworpen. Het is beter voor u met een oog het Rijk Gods binnen te gaan dan in het bezit van twee ogen in de hel te worden geworpen, waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt.

25ste zondag door het jaar

Eerste Lezing: Wijsh 2, 12. 17-20

De ongelovigen zeggen: ‘Wij willen de vrome belagen; want hij is ons een ergernis, en is een aanklacht tegen onze lauwheid. Hij beschuldigt ons dat wij de wet niet onderhouden; en verwijt ons onze tuchteloosheid. Laat ons eens zien of zijn woorden wel waar zijn en nemen we als proef op de som wat er gebeurt bij zijn dood. Want als de rechtvaardige een zoon van God is, zal God hem te hulp komen en hem bevrijden uit de greep van zijn vijand. Onderwerpen we hem aan een smadelijke proef om met foltering te achterhalen hoe zachtmoedig hij is en om ons te overtuigen van zijn verdraagzaamheid. Laten we hem veroordelen tot een schandelijke dood; naar eigen zeggen geniet hij immers bijzondere bescherming.’

Antwoordpsalm : Ps 54

Toch is het God, die mij helpt, de Heer die mijn leven bewaart.
God, sta mij bij met uw Naam,
kom voor mij op met uw macht.
Luister, o God, naar mijn bede,
hoor met mijn mond U zegt.
Overmoedigen vallen mij aan,
brutaal staan zij mij naar het leven,
zonder te denken aan God.
Toch is het God, die mij helpt,
de Heer die mijn leven bewaart.
Vergeld mijn bestrijders hun slechtheid,
breng hen ten val in uw trouw.
Offeren zal ik U dan van harte,
prijzen, o Heer, uw weldadige Naam.

Tweede Lezing: Jak 3, 16 – 4, 3

Broeders en zusters, waar naijver en eerzucht heersen, daar treft men ook onrust aan en allerlei minderwaardige praktijken. De wijsheid van omhoog is voor alles rein, maar ook vredelievend, vriendelijk, altijd voor rede vatbaar, rijk aan barmhartigheid en vruchten van goede daden, onpartijdig en oprecht. Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en slechts wie de vrede nastreven zullen haar oogsten. Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies vandaan? Toch alleen van uw eigen hartstochten die u niet met rust laten? Gij begeert dingen die gij niet kunt krijgen. Gij moordt en benijdt en gij kunt uw doel niet bereiken. Dan gaat gij vechten en strijden. Gij hebt niets omdat gij niet bidt. En als gij bidt krijgt ge het niet omdat gij verkeerd bidt, met de bedoeling namelijk om wat ge krijgt uit te geven voor uw boze lusten.

Evangelie: Mc 9, 30-37

In die tijd gingen Jezus en zijn leerlingen weg van de berg en trokken Galilea door; maar Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten. Hij zeide hun: ‘De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan.’ Zij begrepen die woorden wel niet maar schrokken ervoor terug Hem te ondervragen. Zij kwamen in Kafarnaüm en, eenmaal thuis, ondervroeg Hij hen: ‘Waar hebt ge onderweg over getwist?’ Maar zij zwegen, want ze hadden onderweg een woordenwisseling gehad over de vraag wie de grootste was. Toen zette Hij zich neer, riep de twaalf bij zich en
zei tot hen: ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen.’ Hij nam een kind en zette het in hun midden; Hij omarmde het en sprak tot hen: ‘Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op; en wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft.’

Vierentwintingste zondag door het jaar

Eerste lezing: Js 50, 5-9a

God de Heer heeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God de Heer zal mij helpen: daarom zal ik niet beschaamd staan. Hij die mij vrij zal spreken is nabij. Wie is mijn tegenstander? Laten we samen voor de rechter treden! Wie is mijn tegenpartij? Laat hij tegenover mij komen staan! God de Heer zal mij helpen: wie zal mij schuldig verklaren?

Tweede lezing: Jak 2, 14-18

Broeders en zusters, wat baat het een mens te beweren dat hij geloof heeft als hij geen daden kan laten zien? Kan zo’n geloof hem soms redden? Stel dat een broeder of zuster geen kleren heeft en niets om te eten en iemand van u zou zeggen: ‘Geluk ermee! Hou u warm en eet maar goed’ en hij zou niets doen om in hun stoffelijke nood te voorzien – wat heeft dat voor zin? Zo is ook het geloof, op zichzelf genomen, zonder zich in daden te uiten dood. Misschien zal iemand zeggen: ‘Gij hebt de daad en ik heb het geloof.’ Dan antwoord ik: ‘Bewijs me eerst dat ge geloof hebt als ge geen daden
kunt tonen; dan zal ik u uit mijn daden mijn geloof bewijzen.’

Evangelie: Mc 8, 27-35

In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen naar de dorpen rond Caesarea van Filippus. Onderweg stelde Hij aan zijn leerlingen de vraag. ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ Zij antwoordden Hem: ‘Johannes de Doper; anderen zeggen Elia en weer anderen zeggen dat Gij een van de profeten zijt.’ Daarop stelde Hij hun de vraag: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Petrus antwoordde: ‘Gij zijt Christus.’ Maar Hij verbood hun nadrukkelijk iemand hierover te spreken.
Daarop begon Hij hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen moest worden, maar dat Hij, na ter dood te zijn gebracht drie dagen later zou verrijzen. Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid. Toen nam Petrus Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden. Maar zich omkerend keek Hij naar zijn leerlingen en voegde Petrus op strenge toon toe: ‘Ga weg, satan, terug! Want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.’ Nadat Hij behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich had laten komen, sprak Hij tot hen: ‘Wie mijn volgeling wil zijn moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie zal het redden.

Drieentwintigste zondag door het jaar – Lezingen

Eerste Lezing: Js 35, 4-7a

Spreek tot allen die de moed verloren hebben: ‘Vat moed en vreest niet: Uw God komt om de wraak te voltrekken, God komt om te vergelden en om u te redden. Dan gaan de ogen van de blinden weer open en zullen de oren van de doven geopend worden. De lamme zal springen als een hert en jubelen zal de tong van de stomme. Ja, in de steppe zullen beken ontspringen, rivieren in de woestijn. De dorre vlakte wordt een vijver, het dorstige land een waterbron.’

Antwoordpsalm : Ps 146

De Heer zal ik loven mijn leven lang
De Heer doet altijd zijn woord gestand,
verdrukten verschaft Hij recht.
De Heer geeft brood aan wie honger heeft,
gevangenen geeft Hij de vrijheid.
De ogen van de blinden opent de Heer,
gebrokenen richt Hij weer op.
De Heer bemint de rechtvaardigen,
de Heer behoedt de ontheemden.
De Heer geeft wees en weduwe steun,
maar zondaars laat Hij verdwalen.
De Heer is koning in eeuwigheid,
uw God, Sion, heerst over alle geslachten.

Tweede Lezing: Jak 2, 1-5

Broeders en zusters, gij die gelooft in onze Heer Jezus Christus, de Heer der heerlijkheid, verbindt dit geloof toch niet met partijdigheid en vleierij! Ik bedoel dit: veronderstel, er treedt in uw samenkomst een man binnen, keurig gekleed en met gouden ringen aan zijn vingers, en tegelijkertijd komt er ook een arme aan in schamele kleren; als gij nu opziet tegen de rijkgeklede man en hem een ereplaats aanbiedt, terwijl gij tegen de arme zegt: ‘Blijf daar maar staan,’ of: ‘Ga hier op de grond zitten, bij mijn voetbank’, maakt ge u dan niet schuldig aan een kwaadaardige discriminatie? Luister,
lieve broeders: God heeft de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het koninkrijk dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.

Evangelie: Mc 7, 31-37

In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus en begaf zich over Sidon naar het meer van Galilea, midden in de streek van Dekapolis. Men bracht een doofstomme bij Hem en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen. Jezus nam hem terzijde, buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan. Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel, zuchtte en sprak tot hem: ‘Effeta’, wat betekent: ga open. Terstond gingen zijn oren open, en werd de band van zijn tong losgemaakt zodat hij normaal sprak. Hij verbood het aan iemand te zeggen;
maar met hoe meer nadruk Hij dat verbood, des te luider verkondigden zij het. Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit: ‘Hij heeft alles wel gedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken.

Eenentwingste zondag door het jaar

Eerste Lezing: Joz 24, 1-2a. 15-17. 18b

In die dagen riep Jozua alle stammen van Israël in Sichem bijeen, met de oudsten van Israël, de familiehoofden, de rechters en de schrijvers. Toen zij voor God stonden richtte Jozua zich tot het volk en sprak: ‘Zo spreekt de Heer God van Israël: Als gij de Heer niet wilt dienen, kies dan nu wie gij wel dienen wilt: de goden die uw voorouders aan de
overkant van de Rivier hebben vereerd of de goden van de Amorieten, in wier land gij woont. Ik en mijn familie, wij dienen de Heer.’ Het volk antwoordde: ‘Wij denken er niet aan de Heer te verlaten en andere goden te vereren. De Heer onze God heeft ons en onze vaderen uit Egypte geleid, uit het land van de slavernij. Hij heeft voor onze ogen
grote tekenen verricht en ons beschermd op al onze tochten en tegen alle volken waarmee wij in aanraking kwamen. Ook wij willen de Heer dienen, Hij is onze God.’

Antwoordpsalm : Ps 34

Let op en bemerkt hoe genadig de Heer is.
De Heer zal ik prijzen iedere dag,
zijn lof ligt mij steeds op de lippen.
Mijn geest is fier op de gunst van de Heer,
laat elk die het hoort zich verheugen.
Het oog van de Heer is gericht op de vrome,
zijn oor naar hun smeken gekeerd.
Van boosdoeners keert Hij zijn aangezicht af,
zij worden op aarde vergeten.
Naar vromen die roepen luistert de Heer
en redt hen uit iedere nood.
De Heer is nabij voor rouwmoedige harten,
Hij helpt wie zijn schuld erkent.
Veel rampen zullen de vrome bedreigen,
uit elk daarvan redt hem de Heer.
De Heer zal over zijn beenderen waken
opdat hij er geen van breekt.
Het kwaad van de zonde loopt uit op de dood,
wie vroomheid veracht wordt gestraft.
De Heer redt het leven van wie Hem dient,
al wie tot Hem vlucht heeft geen straf te duchten.

Tweede Lezing: Ef 5, 21-32

Broeders en zusters, weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus. Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer. Want de man is het hoofd van de vrouw zoals Christus het hoofd is van de Kerk. Hij is ook de Verlosser van zijn Lichaam; maar zoals de kerk onderdanig is aan Christus, zo moet ook de vrouw haar man in alles onderdanig
zijn. Mannen, hebt uw vrouw lief zoals Christus de kerk heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen, haar reinigend door het waterbad met het woord. Hij heeft de Kerk tot zich gevoerd als een heerlijke bruid, zonder vlek of rimpel of fout, heilig en onbesmet. Zo moeten ook de mannen hun vrouwen liefhebben zoals ze hun eigen lichaam liefhebben. Wie zijn vrouw bemint, bemint zichzelf. Niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat; integendeel, hij voedt en koestert het. En zo doet Christus met de kerk omdat wij ledematen zijn van zijn Lichaam. ‘Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw en die twee zullen een vlees zijn.’ Dit
geheim heeft een diepe zin. Ik voor mij betrek het op Christus en de kerk.

Evangelie: Joh 6, 60-69

In die tijd zeiden velen van Jezus’ leerlingen: ‘Deze taal stuit iemand tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?’ Maar Jezus die uit zichzelf wist dat zijn leerlingen daarover morden, vroeg hun: ‘Neemt gij daar aanstoot aan? Als gij dan de Mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was? Het is de geest die levend maakt, het vlees
is van geen nut. De woorden die Ik tot u gesproken heb zijn geest en leven. Maar er zijn er onder u die geen geloof hebben.’ – Jezus wist inderdaad van het begin af aan wie het waren die niet geloofden en wie Hem zouden overleveren. – Hij voegde er aan toe: ‘Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij kan komen als het hem niet door de Vader
gegeven is.’ Ten gevolge hiervan trokken velen van zijn leerlingen zich terug en verlieten zijn gezelschap. Waarop Jezus aan de twaalf vroeg: ‘Wilt ook gij soms weggaan?’ Simon Petrus antwoordde Hem: ‘Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij geloven en weten dat Gij de Heilige Gods zijt.’

Tenhemelopneming van Maria

Eerste Lezing: Apok 11, 19a; 12, 1.3-6a. 10ab

De tempel van God in de hemel ging open en er verscheen een groot teken aan de hemel: een Vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Toen verscheen aan de hemel een ander teken: een grote, vuurrode Draak. Hij had zeven koppen en tien horens en op elke kop een diadeem. En zijn staart vaagde een derde deel van de sterren des hemels weg en wierp die op de aarde. En de Draak stond vóór de Vrouw die zou baren om, zodra zij gebaard had, haar Kind te verslinden. En zij baarde een Kind, een Zoon, die alle volken zal weiden met een ijzeren staf. En haar Kind werd ijlings weggevoerd naar God en zijn troon. En de Vrouw vluchtte naar de woestijn waar zij een plaats heeft, door God bereid. En ik hoorde een stem in de hemel roepen: ‘Nu is gekomen het heil en de macht en het koningschap van onze God en de heerschappij van zijn Gezalfde.’

Antwoordpsalm : Ps 45

Naast u staat de koningin, met goud getooid.
Prinsessen komen u daar tegemoet,
en naast u staat de koningin, getooid met goud uit Ofir.
Nu luister, dochter, wees aandachtig,
vergeet uw volk, vergeet uw vaderhuis.
Uw schoonheid wekt de liefde van de koning,
breng hem uw hulde, want hij is uw heer.
Men haalt hen in met blijdschap en gejuich,
zij treden binnen in de koninklijke woning.

Tweede Lezing: 1 Kor 15, 20-26

Broeders en zusters, Christus is opgewekt uit de doden als eersteling van hen die ontslapen zijn. Want omdat door een mens de dood is gekomen komt door een mens ook de opstanding der doden. Zoals allen sterven in Adam, zo zullen ook allen in Christus herleven. Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eerste en voornaamste Christus, vervolgens, bij zijn komst, zij die Christus toebehoren; daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader zal
overdragen na alle heerschappijen en alle machten en krachten te hebben onttroond. Want het is vastgesteld dat Hij het koningschap zal uitoefenen tot Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. En de laatste vijand die vernietigd wordt, is de dood.

Evangelie: Lc 1, 39-56

In die dagen reisde Maria met spoed naar het bergland, naar een stad in Juda. Zij ging het huis van Zacharias binnen groette Elisabet. Zodra Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabet werd vervuld met de heilige Geest en riep uit met luide stem: ‘Gij zijt gezegend onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt? Zie, zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. Zalig zij die geloofd heeft dat tot vervulling zal komen
wat haar vanwege de Heer gezegd is.’ En Maria sprak: ‘Mijn hart prijst hoog de Heer. Van vreugde juicht mijn geest om God, mijn redder: daar Hij welwillend neerzag op de kleinheid zijner dienstmaagd. En zie, van heden af prijst elk geslacht mij zalig omdat Hij die machtig is aan mij zijn wonderwerken deed, en heilig is zijn Naam. Barmhartig is Hij van geslacht tot geslacht voor hen die Hem vrezen. Hij toont de kracht van zijn arm; slaat trotsen van hart uiteen. Heersers ontneemt Hij hun troon, maar Hij verheft de geringen. Die hongeren overlaadt Hij met gaven, en rijken zendt Hij heen met lege handen. Zijn dienaar Israël heeft Hij zich aangetrokken, gedachtig zijn barmhartigheid voor eeuwig jegens Abraham en zijn geslacht, gelijk Hij had gezegd tot onze vaderen.’ Nadat Maria ongeveer drie maanden bij haar gebleven was keerde zij naar huis terug.

« Older Entries